Choellien-index


DAF-Notities Choelien 93b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

De Tora van Moeder

„Het is toegestaan om dit deel van het dier te eten” vertelt Rabbi Jochanan in Erets Jisraël aan Rabbi Sjaman bar Abba, „maar daar jij uit Babylon komt, mag jij het niet eten, wat zo is de gewoonte in jouw land.”

Als bron voor deze sterke binding aan Joodse gewoonten, citeert Rabbi Jochanan de passage: „Luister mijn zoon, naar de instructies van je vader en vergeet niet de Tora van je moeder” [Misjlee 1:8]. Terwijl het eerste deel van dit vers, zo verklaart Rasji, betrekking heeft op de Schriftelijke en Mondelinge Tora die door Hasjem aan Mosjé op Sinaï gegeven werden, heeft het tweede deel betrekking op de rabbijnse wetten, die de Geleerden aan het Joodse Volk gegeven hebben als een „beschermend hek rond de Tora.”

Daar de geleerden soms verschillende meningen hadden over zulke voorschriften, werden zij op verschillende wijze nageleefd. Datgene wat in Erets Jisraël als toegestaan be­schouwd werd,  hadden de Geleerden in Babylon [in dit geval] verboden.

Het idee dat de Joodse gemeenschap een „moeder” is, wier Tora gerespecteerd moet wor­den is uitgebreid tot de Joodse minhagiem [gewoonten] die zich ook nog na de tijd van de Talmoed verder ontwikkelden. Een minhag die door Tora-geleerden werd ingesteld mag men niet negeren, want ieder van hen heeft een belangerijke waarde voor de gees­telijke veiligheid van de gemeenschap waarvoor zij werden ingesteld. Verschillende om­standig­heden van tijd en plaats zijn verantwoordelijk voor de verscheidenheid van de minhagiem van de ene gemeenschap tot de andere en in de verschillende perioden van de geschie­de­nis. Maar iedere gemeenschap moet er voor zorgen dat het de „Tora van zijn moeder” respecteert, naast die van zijn „Vader”.