Choellien-index


DAF-Notities Choelien 94a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

De onwillige gast

Het is verboden om iemand voor de gek te houden, zelfs niet als dat geen financiëel verlies veroorzaakt. Rabbi Meïr noemt verschillende voorbeelden van hoe men schuldig kan zijn aan oneerlijk gedrag door de indruk te wekken dat men iemand een eer bewijst, wanneer het eigenlijk zijn bedoeling is dat helemaal niet te doen.

Eén van deze gevallen doet zich voor wanneer men een gast uitnodigt om bij zich thuis te komen eten, wanneer hij weet dat die gast absoluut niet van plan is daar te eten en het enige motief van de gastheer is om misleidend de dankbaarheid van de gast te verkrijgen, die denkt dat de uitnodiging oprecht gemeend was. Zo ook moet hij een van zijn gasten niet een groot aantal porties aanbieden, als hij weet dat er geen mogelijkheid is dat de gast ze zal accepteren.

Een interessante opmerking wordt gemaakt door een groot halachisch autoriteit, Rav Jehosjoea Wolk, de auteur van Meïrat Einaïm, een commentaar op de Sjoelchan Aroech, Chosjen Misjpat. In beide gevallen legt Rabbi Meïr er de nadruk op dat de gastheer buitengewoon veel moeite doet om er bij zijn weerspannige gast op aan te dringen hem iets te eten aan te bieden of iemand een grote hoeveelheid op te dringen, als men weet dat hij dat niet zal accepteren. Maar wanneer men iets een- of tweemaal beleefd aanbiedt, of iemand een middelmatig grote portie aanbiedt, dan wordt hij niet beschouwd als iemand die zich schuldig maakt aan misleiding want dit is de normale etiquette van gastvrijheid, zelfs al weet hij dat de gast het zal weigeren. Wanneer hij niet een dergelijk gebaar zou maken, zou hij misschien zelfs wel de gast beschamen. Andere gasten zien hem binnen­komen en vertrekken zonder een uitnodiging te hebben ontvangen en zullen denken dat hij niet waardig bevonden wordt om te worden uitgenodigd.

Eén commentator suggereert zelfs een steun voor dit onderscheid op basis van het verhaal over Rabbi Pinchas ben Jaïr die nimmer een uitnodiging accepteerde om bij anderen te eten, maar die dat wel deed toen Rebbi hem uitnodigde [Choelien 7b]. Hij legde aan Rebbi uit dat zijn weerzin om bij andere Joden te eten niet gebaseerd was op minachting voor hen, „want Joden zijn heilige mensen,” maar omdat hij bang was dat sommigen van hen het zich niet zouden kunnen permitteren om hem uit te nodigen, terwijl anderen, die zich dat wel konden permitteren, dat niet van ganzer harte deden.

Tossafot wijst hij erop dat het laatste type Joden die de Geleerde alleen maar uitnodigt uit schaamte en niet serieus, toch beschouwd wordt als „heilig”. Dit zou betekenen dat een onoprechte uitnodiging, gebaseerd op hoffelijkheid niet beschouwd moet worden als misleiding. (In zijn commentaar op de Toer trekt Rabbi Wolk dit bewijs in twijfel, want de ontvanger van de onoprechte uitnodiging kan uiteindelijk wel eens een keer een dergelijke uitnodiging om te komen eten aannemen, terwijl ons geval gaat over iemand die dat beslist nimmer zal doen.)