Choellien-index


DAF-Notities Choelien 95b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Bijgeloof of profetie?

„Welk vers uit Tanach heb je vandaag geleerd?”

Deze vraag stelde Rabbi Jochanan, de leidende Geleerde in Erets Jisraël, aan een kind, voordat hij zich inscheepte voor een reis naar Babylon. Nadat hij had vastgesteld dat hij veel zou kunnen leren van de geleerde Sjmoeël in Babylon, was hij erop gebrand hem te ontmoeten, maar hij wilde er zeker van zijn dat zijn reis vruchtbaar zou zijn.

„Nu is Sjmoeël dood” antwoordde het kind, een vers uit I Sjmoeël [28:3] aanhalend, dat vermeldt dat de Profeet Sjmoeël was overleden. Rabbi Jochanan interpreteerde dit als een teken van de Hemel dat de Geleerde Sjmoeël niet meer in leven was en hij annuleerde zijn reis.

Hoewel de Tora [Wajjikra 19:26] het verbiedt om te reageren op bijgelovige interpretaties van voortekens [nichoesj], zoals een zwarte kat die iemands pad kruist als een slecht voor­teken uit te leggen, zien wij dat er een uitzondering gemaakt wordt voor een vers dat op goed geluk door een kind wordt geciteerd. Behalve Rabbi Jochanan die deze praktijk vaak volgde, zien wij dat Rav Sjesjet [traktaat Bawa Batra 68a] ervan afzag iets te doen vanwege een vers dat hij een kind hoorde citeren.

Er is veel discussie in de commentaren [zie Rambam – Hilchot Awoda Zara 11:4] over dit onderwerp. De eenvoudigste verklaring is dat een vers dat naar willekeur door een kind geciteerd werd door onze Geleerden beschouwd werd als een mini-profetie en niet als een bijgelovig voorteken.

In het geval van Rabbi Jochanan echter, was het geen boodschap van de Hemel dat de Geleerde Sjmoeël inderdaad dood was – want in werkelijkheid was hij nog steeds in leven – maar dat het niet de moeite voor hem waard was zo’n lange en vermoeiende tocht te maken.