Eroevien-Archief


DAF-Notities Eroevien 7a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach


Geen G-ddelijke interventie

De bat kol de stem uit de Hemel die verkondigde dat in halachische meningsverschillen tussen Beit Hillel en Beit Sjammai [de scholen van Hillel resp. van Sjammai] de wet altijd is volgens de eerste, wordt tweemaal gehoord in het eerste hoofdstuk van ons traktaat. Het wordt de eerste keer genoemd met betrekking tot de Baraita die zegt dat men zowel Beit Hillel als Beit Sjammai mag volgen. Eén benadering is dat dit van toepassing is zelfs op de bat kol die besliste in het voordeel van Beit Hillel, omdat de Baraita de mening van Rabbi Jehosjoea volgt, dat geen enkele bat kol een halachische beslissing die door de Geleerden op aarde genomen werd, kan beïnvloeden. Sinds onze G-d ons in Zijn Tora verteld heeft dat het [de Tora] niet in de Hemel is,” kan er geen G-ddelijke interventie plaatsvinden in het halachische proces.

De tweede keer dat we deze echo uit de Hemel horen is in de uitspraak van Rabbi Abba in naam van Sjmoeël (Eroevien 13b). Daar vindt een drie jaar lang dispuut tussen Beit Hillel en Beit Sjammai zijn climax in een bat kol die verklaart dat ondanks dat beide meningen de woorden zijn van de Levende G‑d,” de halacha volgens Beit Hillel is.

Het standpunt van Rabbi Jehosjoea vindt zijn oorsprong in de klassieke discussie tussen Rabbi Eliëzer en zijn collega’s, geleid door Rabbi Jehosjoea over de halachische status van een bepaalde oven. Hoewel hij in de minderheid was, riep Rabbi Eliëzer G‑ddelijke interventie in om zijn gelijk te bewijzen. De wonderen die hij opriep maakten echter geen indruk op zijn collega’s. Zelfs toen hij er tenslotte in slaagde een bat kol te laten verklaren dat de halacha altijd is volgens Rabbi Eliëzer,” leidde een resolute Rabbi Jehosjoea de oppositie door op te staan en te verklaren: Het is niet in de Hemel nadat de Tora aan ons is gegeven, besteden we geen aandacht aan stemmen uit de Hemel met betrekking tot het halachisch proces.”

Rabbi Jehosjoea’s definitieve verwerping van iedere interventie van een bat kol brengt onze Gemara tot de conclusie dat hij zelfs de Hemelse stem zou hebben verworpen die zich in het voordeel van Beit Hillel uitsprak. En dat leidt daarom tot de mogelijkelijkheid om Beit Sjammai te volgen. De hoofdstroom van onze Geleerden ziet echter de bat kol als het laatste woord bij de beslissing tussen twee halachische meningen en de halacha is daarom duidelijk volgens Beit Hillel, zonder de mogelijkheid open te laten om Beit Sjammai te volgen.

Maar, vraagt Tosafot, als we de bat kol accepteren met betrekking tot Beit Hillel, waarom verwierpen de Geleerden dan de interventie ten behoeve van Rabbi Eliëzer? Een bat kol kan inderdaad in overweging genomen worden, maar in het geval van Rabbi Eliëzer, die de Hemel uitnodigde om ten gunste van hemzelf te interveniëren, was het duidelijk, zowel uit de aard van het verzoek en uit de taal van de boodschap, dat het alleen bedoeld was als een lof voor zijn Tora-grootheid en niet als een halachisch beslissing.

Ten tweede, een bat kol kan een regeling die door een meerderheid van de Geleerden is vastgesteld, niet omverwerpen, daar Tora ons vertelt dat wij ons bij de meerderheidsbeslissing moeten neerleggen. In het geval van Rabbi Eliëzer was hij in de minderheid, maar in het geval van Beit Hillel waren zij in de meerderheid. De enige reden waarom daar een bat kol nodig was, was om het argument van Beit Sjammai te verwerpen (Jevamot 14a), dat een meerderheidsbesluit alleen geldig is als de partijen van gelijke intellectuele status zijn, maar niet in deze discussie, omdat Beit Sjammai scherper was. De bat kol verklaarde dat dit geen voorwaarde was, maar dat de halacha altijd de mening van de meerderheid moet volgen.

&