Eroevien-Archief


DAF-Notities Eroevien 100b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach


 

Een ander soort leraar

Zelfs als de Tora niet aan ons was gegeven, zegt Rabbi Jochanan, dan hadden wij bepaalde basisprincipes kunnen leren van het gedrag van dieren. Van de kat kunnen we de elementaire regels voor schoonheid en respect voor andermans gevoeligheden leren, uit de bescheiden manier waarop zij haar sanitaire behoeften doet. Van de mieren kunnen we leren respect te hebben van andermans eigendommen. De Midrasj (Devariem Rabba, Sjoftiem) vertelt ons over een mier, die een graankorrel liet vallen die het in zijn bek had, om die op te bergen voor de winter. Mier na mier kwam langs, snuffelde aan de graankorrel en kroop weer verder, omdat hij zich realiseerde dat de graankorrel van iemand anders was. Totdat de oorspronkelijke eigenaar langs kwam om de graankorrel op te halen.

Er worden nog meer lessen genoemd, die wij kunnen leren van de ezel, de duif en een haan, met betrekking tot fatsoen, trouw en huiselijke relaties. Maar wat doet deze vertegenwoordigers van het dierenrijk  zich zo op deze speciale manier gedragen?

Het is geen intellectuele of morele beslissing van deze schepsel, verklaren de commentatoren, die achter hun gedrag schuil gaat. Het is gewoon zo omdat de Schepper ons bepaalde gedragspatronen wilde leren en daarom bracht Hij bepaalde dieren bepaalde soorten instinct bij, om zich op een bepaalde manier te gedragen, zodat dit een boodschap aan de menselijke waarnemer zou overbrengen.

En dat is wat er bedoeld wordt in Ijov (35:11), die in de Gemara wordt aangehaald: „Hij onderwijst ons door middel van de dieren van de aarde en maakt onze wijzer door middel van de vogels in de lucht.” Onze Schepper leert ons hoe wij ons moeten gedragen door de eigenschappen van de dieren en vogels zodanig te maken dat zij dienen tot opvoedkundige les voor de mens.