Eroevien-Archief


DAF-Notities Eroevien 18b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach


De grenzen van de lof

Wanneer men iemand looft, die niet aanwezig is, zegt Rabbi Jeremijahoe ben Elazar, dan mag hij hem volledig loven. Maar als die ander aanwezig is, dan mag men hem maar gedeeltelijk loven.

De bron voor deze regel is het vershil tussen twee beschrijvingen van Noachs rechtvaardigheid door G-d. In Bereisjiet 6:9 wordt Noach beschreven als een „volmaakte tsaddiek,” terwijl hij in vers 7:1 beschreven wordt als alleen maar een „tsaddiek.” In het eerste geval werd de lof over Noach uitgesproken in Noachs afwezigheid en daarom was de lof compleet. Maar in het tweede geval werd het tegen hemzelf gezegd en daarom was de lof beperkt.

Rasji legt uit dat overdadige lof in iemands aanwezigheid, zelfs al verdient hij dat, de indruk wekt van vleierij, met het doel om gunst te vinden en zulk gedrag wordt zwaar bekritiseerd in Tora en Talmoed, wanneer dat gedaan wordt bij iemand die het niet verdient.

De Maharsja suggereert dat het probleem van een overdadige lof in iemands aanwezigheid kan leiden tot het opblazen van zijn ego. Deze benadering wordt inderdaad naar voren gebracht in één van de commentaren op de Midrasj Rabba. Het bezwaar van deze benadering, zo merkt hij op, is dat het niet kan worden toegepast op een uitbreiding van onze Gemara, die in de Midrasj (Bereisjiet Rabba 32:3) genoemd wordt.

De Midrasj daar zegt dat zelfs in de lof voor Hasjem we een verschil vinden in de omvang van onze lof, afhankelijk of wij ons rechtstreeks tot Hem wenden of over Hem spreken in de derde persoon. Koning David vertelt ons: Zeg tegen G-d: Hoe ontzagwekkend zijn Uw daden” (Tehilliem 66:3), hetgeen een gedeeltelijke lof voorschrijft van de G-ddelijke kracht en dat niets zegt over Zijn goedheid. Maar wanneer we over G-d in de derde persoon spreken, hetgeen in menselijke termen te vergelijken is met iemand die niet aanwezig is, dan wordt ons gezegd: Prijs G-d, want Hij is goed en Zijn liefde is eeuwigdurend” (Tehilliem 136:1).

Rasji’s benadering, concludeert de Maharsja, is zelfs van toepassing op de lof van G-d, wegens de indruk van vleierij die het kan wekken. De andere benadering, die van de opgeblazen ego van de geprezene is niet op G-d van toepassing en moet daarom worden losgelaten, ten gunste van Rasji’s benadering.

 &