Eroevien-Archief


DAF-Notities Eroevien 28b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Wanneer men om een beloning mag vragen

Er bestaan twee manieren waarop men naar een mitswa kan kijken die men doet voor de beloning.

Wanneer Rabbi Zeira zich te uitgeput voelde om zijn geregelde Tora-studie voort te zetten, dan had hij de gewoonte  om aan de ingang van de jesjiva van Rabbi Jehoeda bar Ami te gaan zitten. Hij deed dit, zodat hij op zou moeten staan voor de Tora-geleerden die de jesjiva in en uit gingen, zodat hij een beloning zou ontvangen.

Rabbi Zeira verdiende zeker een Hemelse beloning voor de vervulling van de mitswa: „Je zult respect tonen voor een ouderling [Tora-geleerde]” (Wajjikra 19:32). Maar hoe brengen wij zijn motivering, om naar beloning te streven, in overeenstemming met de raad van de Geleerde Antigonos uit Socho (Awot 1:3), die ons aanspoort ons niet te gedragen als bedienden, die gemotiveerd worden door het verlangen naar beloning?

Het antwoord vinden we als we wat nauwkeuriger kijken naar de conclusie van het voornoemde Tora-vers en naar het begin van een ander vers, veel later in Tora. Direct na het gebod om respect te tonen voor een Tora-geleerde, wordt ons verteld: „En je zult G-d vrezen.” Dit verband tussen respect voor de Tora-geleerde en de vrees voor G-d wordt herhaald in het vers in Dewariem (10:20): „Je zult Hasjem, je G-d, vrezen.” Dit gebod wordt voorafgegaan door een schijnbaar overvloedig woordje et. Overal waar dat woordje staat in Tora, interpreteerde de Geleerde Sjim’on de Amsoniet dat dit woordje [dat zowel een vierde naamval als het voor­zetsel ‘met’ kan betekenen] iets toevoegt wat niet expliciet in het vers staat. Maar toen hij kwam bij het woordje et in dit vers, gaf hij zijn poging om alle woordjes et te verklaren, op, omdat het twijfel wierp op de juistheid van al zijn andere interpretaties van dat woordje [omdat hij beweerde dat ieder woordje et in Tora een dergelijke aanvullende betekenis heeft]. Het was Rabbi Akiva die een interpretatie gaf die in overeen­stem­ming was met de andere gevallen: „Het geeft aan dat Tora-geleerden hierbij zijn inbegrepen” (Pesachiem 22b).

Sjim’on de Amsoniet aarzelde het woordje et hier te interpreteren, omdat het hem onacceptabel voorkwam dat het respect dat men G-d verschuldigd is, ook van toepassing is op iemand anders, zelfs een Tora-geleerde (men name omdat dit respect ook mede zijn basis vindt in de vrees voor straf, waarvan G-d de enige bron is). Rabbi Akiva zal het respect dat een Tora-geleerde toekomt, niet gezien hebben als equivalent  aan dat welke G-d toekomt, maar meer als een stap in de richting om een volledig gevoel van ontzag te krijgen voor Hem.

Dit idee, om respect te tonen voor iemand, die G-ds Tora bestudeert, te vergelijken met een bouwsteen voor het volle respect voor G-d, kan de reden zijn waarom de Tora het gebod om respect te tonen voor Tora-geleerden laat volgen met de noodzaak om G-d te respecteren, want het één leidt onvermijdelijk tot het ander.

Deze benadering geeft ons een andere kijk op Rabbi Zeira’s verklaring dat hij wilde opstaan voor de Tora-geleerden, ten einde een beloning te krijgen. De beloning die hij in gedachten had, was geen compen­satie, maar eerder het resultaat van wat de Tora zegt dat het resultaat zal zijn van het tonen van respect voor geleerden – namelijk de beloning is het verkrijgen van een volledig ontzag en vrees voor Hasjem.

&