Eroevien-Archief


DAF-Notities Eroevien 29a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Uitdeling aan de armen

Gedurende het derde en zesde jaar van de zevenjarige landbouw-cylus, moet een Jood ma’aser oni aan de armen geven, een tiende van zijn opbrengst, in plaats van ma’aser sjeni – het tweede tiende.

Wat gebeurt er als een aantal verarmde Joden, die recht hebben op dit tiende, tegelijkertijd op zijn veld verschijnen? Als er genoeg is om ieder een wezenlijk deel te geven om het Tora-gebod om „een gift aan de armen te geven” uit te voeren, dan moet hij ervoor zorgen dat ieder niet minder krijgt dat het deel dat hem toekomt.

Hoeveel als een wezenlijke gift beschouwd wordt voor tarwe, gerst, dadels, vijgen, olie en wijn, daarover bestaat een meningsverschil in onze Gemara tussen Rabbi Meïr, Rabbi Akiva en de andere Geleerden. Zoals voor andere, minder vaak gegeten landbouwproducten geldt, bepaalt de Geleerde Abba Sjaoel dat men een arme genoeg moet geven, zodat hij voldoende voedsel kan kopen voor twee maaltijden [en de tijd van de Misjna en Talmoed was men gewoon om twee maaltijden per dag te eten, één ’s ochtends en één ’s avonds].

Maar wat moet de landeigenaar doen als zijn tiende niet groot genoeg is om iedere arme die op zijn veld komt, een dergelijke grote portie te geven?

Rasji antwoordt door ons naar traktaat Pea (8:5) te verwijzen. Daar leren we dat in zo’n geval hij het hele tiende voor de verzamelde armen moet neerzeten en dat hij het aan hen moet overlaten hoe zij dat onderling verdelen.

&