Eroevien-Archief


DAF-Notities Eroevien 36a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Van wie leren we?

Het is een Jood verboden op Sjabbat en feestdagen meer dan 2.000 amot buiten zijn woonplaats te gaan, waar hij zich aan het begin van de dag bevond. Wanneer hij een reden heeft om voorbij die techoem te gaan, dan moet hij een eroev techoemiem maken (kortweg eroev) voor dat de dag begint. Door ergens tussen zijn woonplaats en de techoem-grens vóór de ingang van Sjabbat of Jom Tov voldoende voedsel te plaatsen voor twee maaltijden, vestigt hij theoretisch zijn tijdelijke woonplaats waar het voedsel ligt en van daaruit mag hij dan op die Sjabbat of Jom Tov 2.000 amot in iedere richting gaan. [zie tekening bij Eroevien 32a hierboven.]

Iemand kan zich soms in een situatie bevinden waarin hij niet zeker weet in welke richting hij wil gaan. Bijvoorbeeld, er is een bericht gekomen dat een bepaalde grote Tora-geleerde ergens buiten de stad een lezing zal geven, maar het is niet duidelijk of dat ten oosten of ten westen van de stad zal gebeuren. Dan mag men een eroev in het oosten en in het west van de stad plaatsen en verklaren: „Wanneer de Geleerde in het oosten komt, dan verklaar ik de eroev in het oosten mijn verblijfplaats, en als hij in het westen komt, dan wens ik mijn verblijfplaats te vestigen bij de eroev in het westen.”

Wat gebeurt er wanneer twee verschillende geleerden komen, één in het oosten en één in het westen, en één van hen is zijn leraar? De meeste Geleerden menen dat hij kan kiezen waarheen hij wil, omdat in zijn verklaring is opgesloten dat wanneer de Geleerden in beide plaatsen komen, hij kan kiezen van welke eroev hij gebruik zal maken. Rabbi Jehoeda meent echter, dat aangezien een van hen zijn leraar is, hij beslist van plan was om in die richting te gaan. De Geleerden zeggen echter dat iemand soms een lezing wil horen van een ander dan zijn leraar.

Dit schijnt een weerklank te zijn van wat Rabbi Chanina gezegd heeft: „Veel heb ik geleerd van mijn lera­ren; meer heb ik geleerd van mijn collega’s, maar het meest heb ik geleerd van mijn leerlingen” (Ta’aniet 7a).

Echter, Ijoen Ja’akov waarschuwt hier, dat men wel de juiste volgorde moet aanhouden: eerst moet men de kennis van zijn leraar absorberen en die kennis scherpen in discussies met collega’s, voordat men die kennis overdraagt aan leerlingen. Hij heeft scherpe kritiek op mensen in zijn generatie (meer dan driehonderd jaar geleden!) die de rol van leraar aannamen, voordat zij hun eigen studie voltooid hadden, zodat zij tenslotte zowel zichzelf als hun leerlingen in de war brachten.

&