Archief Eroevien


DAF-Notities Eroevien 45a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Veilige grenzen, toen en nu

Onze Geleerden geven een speciale dispensatie om voorbij de techoem-grens van Sjabat te gaan om een Joodse gemeenschap te redden van een militaire belegering. Dit idee introduceert een discussie over een hoofdstuk in de Joodse geschiedenis.

Toen David en zijn volgelingen vluchtten voor het leger van Koning Sjaoel, werd hem geïnformeerd dat de stad Ke’ila belegerd werd door de Filistijnen, die de graanschuren van de Joodse bewoners plunderden (I Sjmoeël 23:1). Hoewel het gecombineerde gevaar van Sjaoels achtervolgers en het vooruitzicht van een strijd met de Filistijnen een ernstig gevaar voor het leven betekende, leidde de toekomstige koning van Israël zijn kleine leger in de strijd en redde Ke’ila.

Maar als de Filistijnen alleen maar geïnteresseerd waren in graan, vraagt de Gemara, waarom was David dan gerechtvaardigd om zijn leven en dat van zijn soldaten te riskeren? Dehalacha geeft alleenmaar toestemming tot militaire acties tegen een vijand, zelfs op Sjabbat, wanneer het de bedoeling van de vijand is om te doden, maar niet als hun doel alleen maar is om te stelen.

Rabbi Dostai uit Biri legt uit dat Ke’ila een stad was, die aan de grens gelegen was tussen de gebieden van Israël en de Filistijnen. Ten aanzijn van een grensstad, zegt de halacha dat defensieve acties zelfs op Sjabbat onder­nomen mogen worden, wanneer de overvallers alleen maar proberen stro en hooi te plunderen (omdat wanneer een dergelijk grensstad in handen valt van vreemde soldaten, het hele land in gevaar komt om veroverd te worden (Rasji). De veiligheid van Ke’ila was dus een kwestie van leven en dood voor het hele land, ook al was het motief van de indringers nu alleen maar financiëel gewin. En daarom was een militaire actie op Sjabbat gerechtvaardigd.