Archief Eroevien

Home-pagina

DAF-Notities Eroevien 54a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Neem de koek op de weg

Rabban Gamliël reisde kort na Pesach op een ezel van Akko naar Chaziev, begeleid door Rabbi Ilaï, die te voet was. Toen hij een koek op de weg zag liggen, vroeg hij Rabbi Ilaï die op te rapen. Toen zij een niet-Joodse reiziger ontmoetten, zei hij tegen hem: „Mavgai, neem die koek van Ilaï.”

Er zitten mysteries verborgen in dit verhaal en lessen die daarvan geleerd kunnen worden.Toen Rabbi Ilaï vervolgens ontdekte dat de man, aan wie hij de koek gegeven had, inderdaad Mavgai heette, maar dat Rabban Gamliël de man nimmer tevoren ontmoet had, kwam hij tot de conclusie dat de Geleerde, die het hoofd van het Sanhedrin was, gezegend was met roeach hakodesj (G-ddelijke inspiratie), welke hem bovennatuurlijke intelligentie gaf.

Maar waarom had Rabban Gamliël zijn begeleider gevraagd een koek op te rapen, die hij hem niet toestond te eten?

Eén les die wij hiervan kunnen leren, is dat men voedsel dat men op de weg ziet liggen, met respect moet behandelen en dat men daar niet aan voorbij mag gaan, zonder dat op te pakken. De reden dat hij zijn begeleider geen toestemming gaf om de koek zelf op te eten, was dat hij veronderstelde dat de koek niet kosjer was, omdat hij door een niet-Joodse voorbijganger verloren was, die de meerderheid van de reizigers op die wegen vormden.

Tosafot werpt de vraag op waarom de consumptie van de koek aan Rabbi Ilaï verboden was, alleen omdat werd verondersteld dat hij niet door een Jood verloren was. Er wordt immers verteld dat het onmiddellijk na Pesach was. Wanneer een Jood dit soort chameets op Pesach in bezit had gehad, dan zou het toch voor iedere Jood verboden zijn om na Pesach te eten?

Het antwoord dat Tosafot geeft is dat als de meerderheid van de reizigers Joden waren geweest, dan had Rabban Gamliël geconcludeerd dat de koek door een Jood was verloren, die hem na Pesach had gebakken en dan was de koek voor consumptie toegestaan.

Het is interessant op te merken dat niet overwogen wordt dat een Joodse reiziger chameets bij zich had, hetgeen voor hem verboden was.