Eroevien-Archief


DAF-Notities Eroevien 58a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Het meten van Jeruzalem

Wanneer men de afstand van tweeduizend ammot wil meten, die de techoem van een stad vormen – de afstand die men op Sjabbat buiten een stad mag wandelen, zonder dat men een eroev gemaakt heeft – dan gelden daar speciale vereisten voor, zowel voor wat betreft de aard van het meetinstrument als zijn lengte.

Het meetinstrument moet een touw van vlasvezels zijn en de lengte ervan moet precies 50 ammot zijn, niet meer en niet minder. Ter verklaring van deze afmetingen, vertelt de Gemara ons, dat als het korter is, het zo flexibel is, dat het makkelijk kan worden uitgerekt door de mensen die het aan beide uiteinden vasthouden, waardoor de afstand vergroot wordt. Wanneer het langer is dan vijftig ammot, zal het gewicht veroorzaken dat het touw in het midden zakt, waardoor de afstand korter wordt.

Maar waarom zou men niet een metalen ketting gebruiken, die zou beide gevaren elimineren?

Het antwoord is dat onze Geleerden in de woorden van Zecharja (2:5) een indicatie zagen, dat het meten van een stad gebeuren moet met een touw. De Profeet Zecharja beschrijft zijn visioen van een man met een touw in zijn hand, die hem informeert dat hij Jeruzalem mat, om daarvan de breedte en lengte vast te stellen. Dit was een Hemelse boodschap dat de terugkeer van de Joden uit de Babylonische ballingschap naar Jeruzalem, die zou plaatsvinden in de dagen van Zecharja, slechts in een beperkte vestiging in Jeruzalem zou resulteren.

Daarna kwam er een engel, zo vervolgt Zecharja, om hem te vertellen dat er nog een andere verlossing en terugkeer naar Jeruzalem zou zijn, hetgeen het meten van de stad overbodig zou maken. Tegen die tijd „zal Jeruzalem bewoond worden als steden die niet ommuurd zijn, wegens de grote menigte van mensen en dieren daarin.”

Zal deze bevolkingsexplosie, die Jeruzalem zonder beschermende muren laat, de veiligheid van haar bewoners in gevaar brengen?

„Ik, zegt Hasjem, zal voor haar als een muur van vuur rondom haar zijn en ik zal de glorie in haar midden zijn.”