Eroevien-Archief


DAF-Notities Eroevien 61a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Machtsevenwicht

Een interessant probleem van een gewelddadig conflict tussen twee Joodse gemeenschappen in Erets Jisraël kwam voor de leider van de generatie, Rabbi Jehoeda Hanasi (Rebbi). De inwoners van Geder waren een nogal rauw volkje, en wanneer zij op Sjabbat wat te veel gedronken hadden, vielen zij de bewoners van de naburige stad Chamsan aan, die hun stad kwamen bezoeken.

Rebbi’s oplossing voor dit gewelddadige probleem was om de bewoners van Chamsan te verbieden Geder op Sjabbat binnen te gaan. Daar hij niet een complete kloof tussen beide naburige gemeenschappen wenste, gaf hij de bewoners van Geder wel toestemming om Chamsan te bezoeken.

Maar voorkomt dit het gevaar van geweld, vraagt de Gemara, wanneer het temperament van de bewoners van Geder op deze manier wordt losgelaten op de bewoners van Chamsan?

„Een hond die van zijn habitat verwijderd is, zal in geen zeven jaar blaffen,” luidt een volksgezegde, dat gebruikt wordt om Rebbi’s strategie uit te leggen. Hoewel de mannen van Geder agressief lijken te zijn op hun eigen terrein, bestond er weinig kans dat zij moeilijkheden zouden maken als zij ver van huis zouden zijn.

Maar hoe zit dat met de bewoners van Chamsan, vraagt nu de Gemara? Zullen zij geen misbruik maken van de zwakte van de hun bezoekende buren en hen aanvallen om wraak te nemen voor de pijn  en het lijden dat zij ondervonden hebben bij hun bezoek aan Geder?

Het antwoord dat de Gemara geeft, is een briljant voorbeeld van een co-existentie die gebaseerd is op een machtsevenwicht: het voordeel dat de Gederieten over de Chamsanieten hadden voor wat betreft agressiviteit, zou nu gecompenseerd worden doordat zij zich op vreemde grond bevonden, zodat beide partijen zouden worden afgeschrikt van het nemen van actie tegen de ander.