Eroevien-Archief


DAF-Notities Eroevien 67b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Improvisatie van de Geleerden

Toen de kom met warm water, die vóór Sjabbat was klaargezet op de binnenplaats voor de besnijdenis van een kind, omviel en het water verloren ging, improviseerde Rava, die aan dezelfde binnenplaats woonde, en bracht water uit zijn eigen huis, ondanks dat er geen eroev was. In een latere Gemara vinden we een andere improvisatie betreffende het vervoeren van een Sefer Tora.

Opdat iets als een mechitsa (muur of wand) kan beschouwd worden voor de wetten van Sjabbat of soeka (een soeka vereist minimaal drie wanden), moet die mechitsa minstens tien handbreedten hoog zijn. Wanneer deze hoogte op minder dan drie handbreedten van de grond begint, dan is het een geldige mechitsa voor ieder doel. Maar als men zo’n mechitsa aan de bovenkant ophangt, en het hangt op een bepaald punt drie handbreedten of meer boven de grond, zodat er voldoende ruimte is dat een jong geitje er onderdoor kan kruipen en de soeka kan binnenkomen, dan is daarover een meningsverschil of de wand een geldige afscheiding vormt.

Met betrekking tot een wand voor een soeka, beweert Rabbi Jossi dat zo’n wand geldig is, maar de andere Geleerden zeggen dat hij ongeldig is. Uit Rabbi Jossi’s standpunt leidt de Gemara af dat hij het was, als de halachische autoriteit van Tiberias, die het had goed gevonden dat men een Sefer Tora van een huis naar een synagoge had gebracht via een binnenplaats.

Eén van de huizen op een binnenplaats in Tiberias werd gebruikt als synagoge. Er was geen eroev gemaakt, en daarom bracht men de Tora-rol altijd vóór Sjabbat uit één van de huizen aan de binnen­plaats, waar het Sefer lag opgeborgen. Eens gebeurde het, dat men vergeten was het Sefer te brengen. Gelukkig ontdekte men dat iemand lakens had opgehangen over de draden die van het huis met het Sefer naar de synagoge gespannen waren over palen. Dit scheidde de rest van de binnenplaats als het ware af en dat maakte het dragen van de Tora-rol mogelijk.

Het enige probleem was dat deze hangende lakens niet tot op drie handbreedtes van de grond hingen. Wanneer de mensen van Tiberias niettemin op dergelijke wanden vertrouwden, concludeerde Rabbi Jochanan, dan moest dat geweest zijn omdat hun leider, Rabbi Jossi de geldigheid voor dergelijke wanden voor een soeka uitbreidde tot het dragen op Sjabbat.

De Gemara verwerpt echter deze conclusie. Het kan best wezen dat Rabbi Jossi een dergelijk soepel standpunt inneemt voor alleen een soeka, omdat het daar alleen gaat over de vraag of een mitswa op de juiste wijze gedaan is. Maar voor wat betreft de Sjabbat-wetten, waar op overtreding daarvan de dood­straf staat, daar is het mogelijk dat ook Rabbi Jossi zulke wanden zou afkeuren.

Hoe konden de mensen in de gemeente van Rabbi Jossi dan op zulke wanden vertrouwen en hun Sefer Tora naar de sjoel dragen op Sjabbat? Die gebeurtenis, verklaart de Gemara, vond plaats na de dood van Rabbi Jossi, en het was zijn zoon, Rabbi Jisjmaël, die hun gedrag goedkeurde, want hij ging nog verder dan zijn vader en keurde dergelijke hangende muren zelfs voor  Sjabbat goed.