Eroevien-Archief


DAF-Notities Eroevien 73a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Familierelaties

Om op Sjabbat van een huis, gelegen aan een gemeenschappelijk binnenhof, naar die binnenhof te mogen dragen, als er aan dat binnenhof meerdere privéwoningen zijn gelegen, moeten de bewoners een eroev chatserot maken. Maar hoe zit dat als alle woningen bewoond worden door leden van dezelfde familie?

De Misjna leert ons dat als alle huizen bewoond worden door verschillende zonen van dezelfde man, die allen eten en slapen in hun eigen huis, maar die allen onderhouden worden door hun vader, geen eroev hoeven te maken. Hun gemeenschappelijke afhankelijkheid van hun vader maakt hen tot één enkele eenheid, die geen eroev nodig heeft.

De Gemara breidt deze regeling uit tot een man die verschillende vrouwen en slaven heeft [in een tijd dat polygamie en slavernij nog was toegestaan], die allemaal in dezelfde chatseer wonen als hun heer, en door hem onderhouden worden.

De Gemara vraagt nu hoe het zit met Tora-studenten, die slapen en eten in hun eigen huizen, maar die afhankelijk zijn van hun leraar voor hun onderhoud. Het probleem wordt opgelost door een historisch precedent aan te halen van de Geleerde Rav, toen hij studeerde bij zijn leraar Rabbi Chia, en dat van Rabbi Chia zelf, toen hij studeerde bij Rebbi (Rabbi Jehoeda Hanasi). In beide gevallen werd beslist dat er geen eroev nodig was, omdat de studenten van hun leraar afhankelijk waren voor hun voedsel. Waarom veronderstelde de Gemara aanvankelijk dat er een verschil zou zijn tussen de relatie leerling-leraar enerzijds en de verhoudingen vader-zoon, man-echtgenote en meester-bediende anderzijds?

Er zitten twee dimensies aan de formatie van een enkele eenheid uit ongelijke elementen. Eén is de relatie van mensen die afhankelijk zijn van de bron van hun onderhoud. De ander is de relatie van de afhankelijken onderling. In het geval van de vader en zijn zonen of de man en zijn vrouwen, is er een familieband of een wettelijke band die elk van de afhankelijken met het familiehoofd verbindt, maar die hen ook met elkaar verbindt, waardoor zij tot één enkele economisch van elkaar afhankelijk eenheid gevormd worden. Zelfs in het geval van de bedienden en hun meester is er een band door de werk-relatie, die dient als de verbinding die de bedienden aan hun meester, maar ook onderling aan elkaar verbindt. Waar het de studenten echter betreft, die hebben geen enkele familierelatie en er bestaat ook geen enkele wettelijk band of verplichting om bij hun leraar te leren en onderling hebben zij niet een dergelijke band. Daarom zou men kunnen veronderstellen dat zij geen enkele eenheid vormen door de gemeen­schappelijke afhankelijkheid en dus wel een eroev moeten maken.

De historische precedenten leren ons echter dat er zulk een sterke band bestaat tussen een Tora-leraar en zijn leer­lingen en tussen de leerlingen onderling, dat ook zij als het ware als één enkele familie beschouwd kunnen worden.