Eroevien-Archief


DAF-Notities Eroevien 82b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach


 

De maat van een maaltijd

Hoeveel voedsel kan als een maaltijd beschouwd worden? Deze vraag komt op in verband met de wet voor eroevei techoemiem. Op Sjabbat mag een Jood niet verder lopen dan tweeduizend ammot (ongeveer een kilometer) voorbij de fysieke grenzen van zijn woon- of verblijfplaats, tenzij hij binnen die afstand een eroev maakt. Dat stelt hem in staat om tweeduizend ammot te wandelen vanaf de plaats waar die eroev ligt.

De eroev bestaat uit voldoende voedsel voor twee maaltijden, die men moet neerleggen op een bepaalde plaats, voordat Sjabbat begint, en daarmee vestigt men daar als het waren een denk­beeldige woonplaats voor die Sjabbat.

Hoeveel brood (of ander voedsel, zoals gespecificeerd wordt in de Sjoelchan Aroech, Orach Chajiem 286:5-6) is genoeg voor twee maaltijden? Dat is het onderwerp van discussie in onze Misjna. Rabbi Meïer zegt dat het criterium voor een eroev-maaltijd de hoeveelheid is die men op een werkdag bij een maaltijd eet, en niet wat men bij een Sjabbat–maaltijd eet. Rabbi Jehoeda beweert het tegenovergestelde: hoeveel men tijdens een Sjabbat-maaltijd eet, dat is wat telt.

Beide meningen, verklaart de Misjna, zijn gebaseerd op het feit dat de vereiste van een eroev gebaseerd is op een Rabbijnse wet en niet op Tora. De Geleerden waren daarom in dit opzicht soepeler. Beiden, Rabbi Meïer en Rabbi Jehoeda hadden het doel om een hoeveelheid voedsel vast te stellen die weinig eisend was, maar zij benaderden het probleem vanuit twee verschillende hoeken. Op Sjabbat, beweert Rabbi Meïer, is het voedsel smakelijker dan op werkdagen en iemand is daarom gewend meer te eten. Als men soepel wil zijn, moet men daarom die hoeveel­heid als standaard voor een eroev vaststellen die men op een werkdag eet. Rabbi Jehoeda daarentegen meent, dat een Jood op Sjabbat drie voedzame maaltijden eet, in tegenstelling tot door de week, en daarom eet hij minder van alles bij iedere maaltijd dan hij door de week bij een maaltijd eet.

De Gemara vermeldt dat Rav Josef handelde in overeenstemming met Rabbi Meïer, omdat het gezond verstand zegt dat „de maag uitzet om het lekkere voedsel te accepteren.”

&

Wanneer geld werkt

Ten einde een transactie over voorwerpen af te sluiten, is het niet voldoende als men alleen geld betaalt. Er moet een symbolische handeling van verkrijging plaatsvinden, zoals het gekochte voorwerp naar zich toe trekken. Pas dan is de transactie afgesloten en kan men er niet meer op terug komen.

Een verklaring waarom dit zo is, kan ons helpen te begrijpen wanneer en waarom er een uitzondering is op deze regel. Eén van deze uitzonderingen geldt voor vlees voor de feestdagen en de ander voor voedsel voor een eroev.

Vier keer per jaar is er een grote vraag naar vlees: op de dagen voor Pesach, Sjavoeot, Rosj Hasjana en Sjemini Atsèret. Wanneer iemand wat geld heeft gegeven aan een dierenhandelaar als betaling voor zelfs maar één dinar waarde aan vlees van een dier, dat wel duizend dinar waard is, dan kan de verkoper zich daaraan niet onttrekken wegens gebrek aan klanten maar dan is hij verplicht het dier te slachten, ten einde aan zijn verplichting te kunnen voldoen, die het resultaat is van de afgesloten transactie dankzij het geld dat hij heeft ontvangen.

Rabbi Jochanan verklaart dit op de volgende manier: Volgens Tora vormt de overhandiging van geld de afsluiting van een transactie en daarmee is het verboden om er op terug te komen. De Geleerden waren echter bezorgd dat als de koper geen moeite deed om het gekochte voorwerp naar zich toe te halen, uit het domein van de verkoper, er een situatie zou kunnen ontstaan, waarin er brand uitbreekt op het gebied van de verkoper en die zou dan geen moeite doen om de verkochte goederen te redden uit de brand, omdat zij niet langer meer zijn eigendom zijn. Daarom hebben zij beslist dat de goederen pas het eigendom van de verkoper verlaten, nadat de koper de goederen fysiek naar zijn eigen domein heeft gebracht. Daar de Geleerden erin geïnteresseerd waren dat een Jood, reeds vóór de bovengenoemde feestdagen beginnen, verzekerd kan zijn van zijn stukje vlees op zijn feestdag, hebben zij dit decreet opzij geschoven en hebben het toegestaan dat geld de uit­eindelijke afsluiting van de transactie vormt.

&