Eroevien-Archief


DAF-Notities Eroevien 92b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach


De voorwaarden van saamhorigheid

Als de muur, die twee binnenhofjes van verschillende afmetingen van elkaar scheidt, instort, zodat het kleine binnenhof volledig open is naar de grotere en de grotere heeft nog „vleugels” over aan beide kanten van de opening, dan is er een interessante relatie ontstaan tussen de twee binnenhoven. De kleinere binnenhof wordt nu beschouwd als een uitbrei­ding van de grote en de opening tussen de twee wordt beschouwd als een doorgang van het kleine naar het grotere gebied. De grote binnenhof kan echter niet beschouwd worden als een uitbreiding van de kleine „buurhof”, die het als het ware heeft opgeslokt.

Deze verhouding van het kleine gebied dat gedomineerd wordt door het grotere gebied heeft niet alleen gevolgen voor de wetten van eroev: indien de bewoners van de huizen aan de grote binnen­hof een eroev gemaakt hebben, dan mogen zij van hun huizen naar de binnenhof vervoeren; zij hebben er geen last van dat zij geen gemeenschappelijke eroev gemaakt hebben met de bewoners van de kleine binnenhof, maar de bewoners van de kleine binnenhof mogen niet iets dragen vanuit hun huizen naar hun binnenhof, ten gevolge van de dominantie van de grote binnenhof. Maar het heeft ook gevolgen voor een groot aantal andere halachot. Eén van de meeste interessante gevolgen heeft betrekking op het vormen van een minjan van tien man in de twee aangrenzende binnenhoven, voor het gebed.

Wanneer er in de grote binnenplaats negen Joden zijn en één in de kleine, dan wordt hij beschouwd bij die andere negen te horen en dan hebben we een geldig minjan. Maar wanneer er negen man in de kleine binnenplaats staan en één staat er in de grote binnenplaats, dan wordt die ene Jood niet beschouwd als behorende bij die negen anderen en dan hebben we geen minjan.

De eenvoudige verklaring van deze Gemara zou erop wijzen dat het enige criterium is dat de meerderheid van het minjan niet in de kleine binnenhof staat. Echter, Tosafot wijst erop dat er ook een meerderheid van het minjan in de grote binnenhof moet zijn. Wanneer er vijf man in de ene en vijf man in de andere binnenhof staan, concludeert Tosafot – en zo staat het ook in de Sjoelchan Aroech (Orach Chaim 55:16) – dan is er geen minjan. Er moet een meerderheid zijn in het grootste gebied, zodat de minderheid in het kleinere gebied als het waren naar het grote gebied getrokken wordt, om een minjan te vormen.