Eroevien-Archief


DAF-Notities Eroevien 96a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach


De zegen van een vrouw

Vrouwen zijn niet verplicht mitswot te doen die aan tijd gebonden zijn, zoals het leggen van tefillien, die alleen overdag en niet ’s nachts gelegd kunnen worden en niet op Sjabbat of feestdagen. Het is echter niet verboden als zij het vrijwillig wel willen doen. Het is algemeen gebruikelijk dat vrouwen op Rosj Hasjana naar de synagoge komen om de sjofar te horen en om met de vier plantensoorten te schudden op het Soekot-feest, ondanks dat vrouwen van deze mitswot zijn vrijgesteld. De Gemara noemt het voorbeeld van Michal, de dochter van Koning Sjaoel, die gewoon was  tefillien te leggen, en de vrouw van de profeet Jona, die er een gewoonte van gemaakt had om op de drie pelgrimfeesten een pelgrimstocht naar Jeruzalem te maken. In geen van deze gevallen werd er door de Geleerden bezwaar gemaakt.

Maar kan een vrouw die zo’n mitswa doet, de beracha zeggen die een man zegt, als hij de mitswa doet – „Gezegend bent U… die ons geboden heeft betreffende de mitswa… ”, ondanks dat de mitswa niet aan haar geboden was?

Tosafot haalt de mening van Rabbeinoe Tam aan, dat zij de beracha mag zeggen. Eén bewijs hiervoor is dat Michal dat waarschijnlijk deed en dus, wanneer daar geen bezwaar tegen gemaakt werd, mogen we daaruit concluderen dat er geen probleem is als een vrouw G-d prijst dat Hij Israël als volk geboden heeft de mitswa te doen.

Een ander bewijs dat Rabbeinoe Tam noemt, geeft aanleiding tot een interessant probleem. Volgens Rabbi Jehoeda is een blinde niet verplicht de mitswot van Tora te doen. Dit blijkt uit een andere bron (Kiddoesjien 31a), waar staat dat hoewel de blinde is vrijgesteld, hij een beracha mag zeggen voor iedere mitswa die hij doet. Dit nodigt uit tot een vergelijking met een vrouw en dient als een extra steun voor het standpunt, dat een vrouw ook de beracha kan zeggen voor een mitswa waarvan zij is vrijgesteld.

Tosafot stelt echter vraagtekens bij dit laatste bewijs en suggereert dat de blinde door de Rabbijnen verplicht werd de mitswot te doen en dat hij dus daarom de beracha kan zeggen en G-d kan prijzen dat Hij ons geboden heeft om te gehoorzamen aan de weten van de Geleerden, terwijl vrouwen zelfs volgens de Rabbijnen niet verplicht zijn om tijdgebonden mitswot te doen.

Waarom hebben de Geleerden vrouwen niet verplicht tijdgebonden mitswot te doen, zoals zij dat de blinden hebben geboden?

Tosafot geeft twee verklaringen, waarvan de een als volgt is: Vrouwen hebben reeds mitswot, die niet gebonden zijn aan de tijd, om hen te onderscheiden als Joden, terwijl de blinden, wanneer zij niet door de Geleerden verplicht waren geworden mitswot te doen, bijna niet te onderscheiden zouden zijn van niet-Joden, omdat zij dan helemaal geen mitswot zouden hoeven te doen.

De halacha is echter dat de blinden verplicht zijn alle mitswot van Tora te doen – dit volgt het standpunt van de Geleerden, die het niet met Rabbi Jehoeda eens zijn. Voor wat betreft vrouwen, die een beracha willen zeggen voor mitswot waarvan zij zijn vrijgesteld, daarover paskent de Beit Josef in overeenstemming met de Rambam, dat zij dat niet moeten doen. De Rama daarentegen paskent volgens Rabbeinoe Tam en zegt dat vrouwen wel de beracha zeggen [Sjoelchan Aroech, Orach Chaim 589:6]. Dit heeft de verschillende gewoonten van verschillende gemeentes tot gevolg. Het is echter algemeen de gewoonte om vrouwen sterk af te raden om tefillien te leggen. [id. 38:3. De Misjna Beroera (38:13) geeft als reden op dat tefillien gelegd moeten worden op een schoon lichaam en vrouwen kunnen niet altijd aan die eis voldoen en zijn er daarom ook niet zo nauwkeurig in.]