Archief-Mo'eed Katan


DAF-Notities Mo'eed Katan 5a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Wanneer

Rav Jannai had een leerling die hem constant moeilijke vragen stelde tijdens zijn Talmoed-lessen. Maar wanneer het Sjabbat of Jom Tov was, stelde deze leerling zijn vragen niet. Rav Jannai prees hem daarvoor en citeerde daartoe Tehilliem (50:23), waar beloofd wordt dat wie zijn levensweg zorgvuldig inricht, de G-ddelijke Verlossing mag aanschouwen.

Rasji legt uit dat de reden waarom de leerling op die speciale dagen zijn moeilijke vragen niet stelde, was omdat hij bang was dat Rav Jannai er misschien geen antwoord op zou kunnen geven, hetgeen beschamend voor hem zou zijn en daar er op die dagen altijd een groot publiek kwam luisteren naar de voordrachten van Rav Jannai, wilde hij hem deze vernedering besparen. Het onderscheid dat deze leerling maakte tussen de juiste tijd om moeilijke vragen te stellen en wanneer hij zijn mond moest houden, beschouwde R. Jannai als een vervulling van wat de Tehilliem noemt een zorgvuldig gedrag.”

Maharsja heeft problemen met Rasji’s benadering, omdat het onacceptabel is dat R. Jannai het gevaar liep vernederd te worden, omdat hij een vraag niet zou kunnen beantwoorden, en bovendien is het beschreven gedrag van de leerling niet precies een voorbeeld van iemand die zijn levensweg zorgvuldig inricht.”

De verklaring die hij biedt is gebaseerd op een fascinerende analyse van mogelijke uitdagingen die iedere Tora-student ondervindt:

De problemen die wij tegenkomen in Tora zijn te splitsen in twee categorieën. Eén is de uitdaging van een klaarblijkelijke tegenstelling tussen een bewering in de Gemara en een andere bron, zoals een Misjna of Baraita. De ander is de uitdaging tot de noodzaak om zo’n bewering te maken, daar de informatie die erin is weergegeven, al aan ons bekend is, hetzij, omdat het al gestaan heeft in een van de daarvoor genoemde bronnen, of omdat het volgt uit eenvoudige logica.

Dit waren de soort vragen die de Talmoed-student van R. Jannai hem dagelijks stelde. Op de Sjabbatot en feestdagen, wanneer hij zijn lezingen hield voor een groot publiek, was het onderwerp daarvan zo eenvoudig van aard, dat er geen uitdagende tegenstellingen waren. Hij zou ook absurd zijn voor welke van zijn geleerde studenten dan ook om hem op die dag uit te dagen over de noodzaak om dingen te onderwijzen, die reeds algemeen bekend waren, omdat die kennis niet aanwezig was bij het gewone volk dat daar aanwezig was om de lezing op die dagen aan te horen.

Waarom nam de leereling dan de moeite om naar die lezing toe te komen, als hij daar niets te horen kreeg, wat hij nog niet wist? Het antwoord is dat hij een evaluatie maakte van de G-ddelijke beloning die hij zou krijgen voor de weg die hij bewandelde” van zijn huis  naar het Beit Hamidrasj om de lezing bij te wonen. Rav Jannai verklaarde dat het vers in Tehilliem dit beschrijft als iets dat de beloning verdient om de G-ddelijke Verlossing te mogen aanschouwen,” G-ddelijke assistentie bij het ontdekken van nieuwe inzichten in de simpele onderwerpen van de lezing, welke inzichten hij niet zou krijgen op basis van zijn eigen intellectuele capaciteiten.