Archief-Mo'eed Katan


DAF-Notities Mo'eed Katan 12b-13a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

De erfenis van een straf

In verscheidene situaties hebben de Geleerden iemand, die een Tora- of Rabbijns gebod heeft overtreden, gestraft, door hem het product van zijn overtreding te verbieden. Eén zo’n situatie wordt in onze Misjna genoemd: wanneer iemand bepaalde werkzaamheden doelbewust uitstelt tot Chol HaMo’eed, werk dat hij ook eerder had kunnen doen, dan is het hem verboden om enig profijt van dat werk te hebben.

Wat gebeurt er als de overtreder overlijdt; mogen dan zijn erfgenamen van het resultaat van zijn werk profiteren? Was de straf tegen de overtreder gericht of tegen het product van de overtreding?

Wanneer Rav Jeremiahoe deze vraag stelt, merkt hij op dat hoewel in andere gevallen de Rabbijnse straffen ook voor de erfgenamen gelden, dat hier misschien niet het geval is. Wanneer iemand opzettelijk een stukje van het oor van een eerstgeboren dier afsnijdt, in een poging om het ongeschikt te maken voor een offer, en dus geschikt voor persoonlijk gebruik door de Kohen, dan kan het zijn dat ook de erfgenamen gestraft worden door hen het gebruik van het dier te verbieden, want door een offerdier te verminken, overtreden zij een Tora-verbod. Als iemand een slaaf aan een niet-Jood verkoopt, dan geldt de boete om de slaaf terug te kopen mogelijk ook de erfgenamen, want een slaaf verkopen aan een niet-Jood is een ernstige overtreding omdat dan de slaaf niet meer in staat is de mitswot te doen, die hij verplicht is. En het is dus belangrijk dat hij wordt vrijgekocht. Geen van deze overwegingen zijn echter van toepassing op iemand die bepaalde werkzaamheden plant voor Chol HaMo’eed.

In zijn antwoord op deze vraag vergelijkt Rav Zera deze situatie met de straf die opgelegd wordt als iemand het Rabbijnse verbod van het sjemitta-jaar [het zevende jaar] overtreedt en zijn veld bemest. Zoals in dat geval de straf alleen voor hemzelf geldt en niet voor zijn erfgenamen, zo ook in ons geval geldt de straf voor de overtreding van de Rabbijnse wet betreffende Chol HaMo’eed alleen de overtreder en niet zijn erfgenamen.

Waarom, zo vraagt de grote 18e eeuwse Geleerde Rav Jechezkel Landau (Responsa Noda BeJehoeda, dl. 1, Orach Chaim 20), noemt de Gemara niet de straf die de Geleerden hebben opgelegd op iemand die zijn chameets bewaarde gedurende Pesach en passen zij deze straf hier niet toe?

Zijn verklaring is dat in alle gevallen die de Gemara noemt, de Geleerden het desbetreffende voorwerp nimmer voor iedereen verboden verklaard hebben. De straf gold de overtreder en daarom is het logisch dat het zijn erfgenamen niet treft. In het geval van chameets geldt er voor iedere Jood een verbod om profijt te hebben van chameets dat een Jood gedurende Pesach in bezit had en wanneer dat chameets dus verboden wordt, wordt het verboden voor iedereen. Het blijft verboden, zelfs na de dood van de overtreder.