Archief-Mo'eed Katan


DAF-Notities Mo'eed Katan 16b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Beloning voor het onderwijzen van Tora

De grootheid van een tsaddiek wordt door Rav Sjmoeël bar Nachmeini op basis van een vers in het boek Sjmoeël (II , 23:3), beschreven als de mate waarin hij in staat is om een decreet van Hasjem te annuleren.

In zijn voetnoten verwijst Rabbijn Jesjajahoe Piek Berlin van Breslau ons naar een Gemara (Bawa Metsia 85a) met een gelijksoortig idee. Daar treffen we dezelfde Geleerde aan, die Rabbi Jonatan citeert, als die zegt dat iemand die de zoon van een ongeletterde Jood Tora leert, de kracht heeft om G-ddelijke decreten te annuleren.

Er is echter een verschil tussen beide verklaringen. In zijn commentaar op Ein Ja’akov wijst Rabbijn Jesjajahoe Pinto erop dat het vermogen van een tsaddiek om een hard G-ddelijk decreet te annuleren, afhankelijk is van de kracht van zijn gebeden en in hoeverrre die Hasjem bereiken, om genade te verkrijgen. Maar iemand, die een Jood die is opgegroeid in een huis waar hij niet de gelegenheid heeft gehad om Tora te leren, Tora leert, diens beloning is zo groot, dat er geen noodzaak voor hem is om zo’n beroep op Hasjem te doen, want de verdienste van zijn werk is zo groot dat het de harde decreten neutraliseert.

Deze benadering brengt Rabbijn Pinto tot een nieuwe interpretatie van het vers, dat de Gemara aanhaalt als bron voor de grote beloning die iemand krijgt als hij de zoon van een ongeletterde Jood Tora onderwijst: „Wanneer je grote waarde kunt halen uit iemand die zo ruw is, dan zul je zijn als Mijn mond” (Jeremia 15:19). Op het eerste gezicht duidt dit vers op een G‑ddelijke beloning om de leraar een kracht te geven die gelijk is aan die van Hasjem. Maar dat bewijst nog niet dat zijn kracht groter is, zodat hij het G-ddelijke decreet kan annuleren. Daarom suggereert Rabbijn Pinto dat het vers als volgt moet worden opgevat: „Je zult zijn als Mijn mond” is een verwijzing naar de mond van de tsaddiek, waarvan onze Gemara reeds zegt, dat die de kracht heeft om te annuleren.

Wat de Profeet Jeremiahoe dan aan de Jood, die de ongeletterde onderwijst, belooft, is dat de kracht van zijn werk even groot zal zijn als „de mond van de tsaddiek,” en dat hij, zelfs zonder Hasjem daartoe te smeken, hetgeen de tsaddiek wel moet, het G‑ddelijke decreet kan annuleren.