Zevachiem-index

DAF-Notities Nr 73 – Zevachiem 2a

Leren te zweren

„Je zult je houden en doen wat uit je mond is gekomen, overeenkomstig van je plechtig beloofd hebt (neder) aan Hasjem, je G-d, het vrijwillige offer (nedava) dat je beloofd hebt met je mond.” (Dewariem 23:24)

Men kan zweren dat men een dier zal offeren  op een van twee manieren. Iemand kan een neder maken, dat wil zeggen dat hij zich verplicht een dier te offeren, zonder dat hij een speciaal dier aanwijst. Of iemand kan een nedava maken, hetgeen betekent dat hij  zich verplicht tot een bepaald dier. Het beslissende verschil tussen de twee is dat in het eerste geval moet men, na de eed te hebben gemaakt, een dier opzij zetten, om zijn belofte te vervullen en als dat dier sterft of verloren gaat, dan moet hij een ander dier daarvoor in de plaats offeren. In het tweede geval is zijn plicht beperkt tot het specifieke dier dat hij beloofd had te offeren en als dat dier niet meer beschikbaar is, hoeft hij het niet te vervangen.

Dit onderscheid tussen een neder en een nedava is wat er de oorzaak van is, dat de gemara in het begin van de Orde Kodasjiem, waar het de offers behandelt, de bovenvermelde passage analyseert, die in een adem twee verschillende soorten eden noemt met betrekking tot hetzelfde dier. Dit vers, zo wordt ons verteld, gaat over een offer dat geslacht is, terwijl men in gedachte had dat het geslacht werd voor een ander soort offer dan waarvoor de eed gemaakt werd. Onze openings-misjna leert ons, dat in zulk een geval het offer beschouwd wordt als een geldig offer en dat wanneer zijn bloed vervolgens op het altaar gebracht is, dat gedaan moet worden met in gedachte het soort offer waarvoor de eigenaar het bestemd had. Degene die echter de neder gemaakt heeft, heeft daarmee echter niet zijn plicht vervuld en moet een nieuw offer brengen.

Wij begrijpen nu dat deze passage ons leert dat als het geslacht is met het juiste offerdier in gedachte, dat beschouwd wordt als de vervulling van de neder; en zo wanneer de slachter een ander soort offer in gedachte had, dan noemen wij het een nieuw vrijwillig nedava offer van de originele eigenaar, die gezworen had, maar die, ondanks dat het een kosjer offer is waarvan het bloed moet worden aangebracht op het altaar met de juiste gedachte, niet zijn neder vervuld heeft. Hieruit volgt dat als hij oorspronkelijk een neder gemaakt heeft om een nedava te brengen, dat de eigenaar geen ander offer hoeft te brengen als het dier geslacht werd met in gedachte een ander soort offer, want deze situatie is niet erger dan het geval dat het dier verloren gaat en ook dan is hij niet verplicht het te vervangen.

(Door Rabbijn Mendel Weinbach, Jesjivat Ohr Somayag)

Dus bijvoorbeeld:

a) Sjim’on zweert dat hij een van zijn dieren als dankoffer zal brengen. Hij kiest vervolgens een dier uit en zet dat apart. Als het dier verloren gaat, moet hij een ander dier offeren. Hij brengt vervolgens een dier naar de Tempel, waar de kohen het slacht, denkend dat het een chataat offer is. Dan is het een geldig offer, maar Sjim’on heeft zijn dankoffer niet gebracht en moet alsnog een ander dier offeren.

b) Sjim’on zweert dat hij een bepaald dier, dat hij aanwijst, als dankoffer zal brengen. Als het dier sterft of wegloopt, hoeft hij geen ander offer te brengen, want hij heeft alleen beloofd dat specifieke dier te offeren. Als hij het dier (wanneer het niet is weggelopen of gestorven is) naar de Tempel brengt waar de kohen  het slacht met in gedachte dat het voor een chataat-offer is, dan is het ook een geldig offer, maar Sjim’on hoeft nu geen ander dier te offeren.