Zevachiem-index

DAF-Notities Nr 74 – Zevachiem 5b

Omissie vs. Commissie

Wanneer iemand onopzettelijk Sjabbat heeft overtreden, dan wordt hem de gelegenheid gegeven om boete te doen voor zijn zonde door een chataat-offer [zondoffer] te brengen op het altaar van het Beit Hamikdasj. Maar hoe zit dat als hij vergeet Sjema te zeggen of vergeet tefillin te leggen – is er dan ook een gelegenheid voor hem om zijn fout te herstellen met een offer?

Het antwoord kan gevonden worden in een zin van Tora  met betrekking tot het vrijwillige ola-offer. „Het zal G-d aangenaam zijn,” zegt de Tora [in Wajjikra 1:3] „dat het voor hem verzoening doet,” voltooit de zin [in vers 4]. Rasji citeert zowel in zijn commentaar op de Choemasj als hier in onze Gemara de conclusie van de geleerden, dat de noodzaak om het G-d aangenaam te maken, zoals  hier de plicht tot het brengen van een ola – brandoffer – genoemd wordt, niet is omdat er een overtreding begaan is van een verbod, waarop, als het moedwillig was gebracht de straf van kareet of de doodstraf door een gerechtshof staat. Want dan moet men een zondoffer – een chataat brengen. Het enige wat dus mogelijk is, waarvoor hij het offer brengt, is de overtreding van een gebod, dat niet bij moedwillige overtreding met geseling gestraft wordt [omdat de Tora een methode heeft aangegeven hoe men de schade kan herstellen, bijvoorbeeld in Sjemot 12:10, waar verboden wordt iets van het pesachoffer tot de ochtend over te laten en als er toch, in strijd met dat verbod, iets van wordt over gelaten, dan geeft Tora meteen de remedie: het moet verbrand worden].

Hoewel het ola dus een zoenoffer blijkt te zijn voor zulke zonden, verschilt het toch van het chataat zowel in de aard van het offer als in de verplichting om het te brengen. Wie onopzettelijk iets doet dat Tora verboden heeft, en waarop, bij opzettelijke overtreding de straf van kareet [uitroeiing door de Hemel] staat, die moet een chataat brengen om verzoening te verkrijgen. Het ola echter is een vrijwillig offer dat gebracht wordt wanneer iemand het gevoel heeft dat hij G-d aangenaam moet stemmen, nadat hij iets niet gedaan heeft, dat Tora hem geboden heeft te doen.

Een ander verschil is dat het chataat een zoen-offer is, dat bestemd is om vergeving te verkrijgen [Wajjikra 4:31], terwijl het ola beschouwd wordt als een gift aan G-d nadat de zondaar berouw heeft getoond over zijn zonde. Dit onderscheid wordt gemaakt door de geleerde Rava [Zevachiem 7b] en die zienswijze wordt gesteund door wat Rabbi Sjim’on beslist heeft in het geval van iemand die verplicht is een ola en een chataat te brengen. Eerst komt het chataat en daarna het ola. Dit is vergelijkbaar met iemand die een aardse koning beledigd heeft en dat wil goedmaken met een geschenk.  Hij huurt eerst een pleiter in om voor hem een goed woordje te doen. Pas nadat de pleiter zijn werk gedaan heeft [en hem reeds vergiffenis is geschonken] kan hij binnenkomen met zijn geschenk. Pas nadat het chataat de vergiffenis verkregen heeft, kan het ola geofferd worden.

(Door Rabbijn Mendel Weinbach, Jesjivat Ohr Somayag)