Zevachiem-index

DAF-Notities Nr 75 – Zevachiem 9a

De mysterieuze koe

Het korban Pesach kan alleen geofferd worden met een mannelijk lam of bokje. Het is daarom verbazend te constateren dat de Tora verklaart [in Dewariem 16:22] „Dan zal je het overschrijdingsoffer slachten ter ere van Hasjem je G-d, van klein- en rundvee.”

De geleerden hebben verschillende verklaringen gezocht voor deze paradox. Eén daarvan noemt Rasji in zijn commentaar op de passoek in Tora: het rundvee moet geslacht worden als feestoffer – Chaĝiĝa – dat wil zeggen dat als een groot gezelschap zich voor het Pesach-offer heeft aan­een gesloten, dan wordt eerst dat feestoffer gegeten [omdat zo’n klein lammetje of bokje niet een heel gezelschap kan verzadigen en men moet zich verzadigen aan het Pesach-offer] en daarna eet men ter afsluiting het Pesach-offer en verzadigt zich daaraan. Daarom is het een mitswa  om ook dat feestoffer te brengen en dat kan van het rundvee zijn. Het bot en het ei dat wij op onze Seder-schotel leggen op de Seder-avond, herinneren ons aan deze twee offers.

In onze Gemara echter ontmoeten wij een andere benadering, geopperd door Rav Nachman. Wanneer iemand een dier bestemd om als korban Pesach te dienen en het loopt weg, dan moet men er een ander dier voor in de plaats offeren. Wanneer het oorspronkelijke diertje vervolgens weer komt opdagen, dan wordt het beschouwd als motar hapesach – een overblijfsel van Pesach en het wordt geofferd als  een Sjelamiem offer – een vredesoffer. Dit wordt van de bovenvermelde passage afgeleid op de volgende manier: Het schaap en de koe die daar genoemd worden wijzen op het restant van het Pesach-offer, waarvan de status nu hetzelfde is als van het enige korban dat niet beperkt is tot een specifiek soort dier of een specifiek geslacht, namelijk het korban sjelamiem.

(Door Rabbijn Mendel Weinbach, Jesjivat Ohr Somayag)