Zevachiem-index

DAF-Notities Nr. 125 – Zevachiem 101b
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

 

Daf 101b

Hoe men een kohen maakt

Wanneer verkreeg Pinchas, de zoon van Elazar en kleinzoon van Aharon de verheven status van kohen [priester]?

Deze vraag, die het onderwerp van discussie tussen twee geleerden in onze Gemara is, lijkt een eenvoudig antwoord te hebben. Tenslotte, is iemand wiens vader en grootvader kohaniem zijn, niet automatisch een kohen?

In zijn commentaar op de Choemasj [Bamidbar 25:3] geeft Rasji het antwoord. Nadat Pinchas heldhaftig een einde had gemaakt aan de plaag, waardoor het volk getroffen werd ten gevolge van het zondige gedrag van Zimri, door de prins van de stam Sjim’on te doden, beloofde G-d hem „een verbond van kehoena voor eeuwig”. Dit was noodzakelijk omdat alleen Aharon en diens zonen ingewijd waren tot kohaniem. Kinderen die na deze wijding geboren zouden worden, zouden ook kohaniem zijn. Maar Pinchas was reeds geboren en kon niet als kohen beschouwd worden, noch als gevolg van inwijding, noch als gevolg van zijn geboorte.

Rabbi Elazar citeerde Rabbi Chanina, die gezegd had dat deze heldendaad van Pinchas inderdaad het keerpunt in zijn carriëre betekende en dat hij toen de status van kohen verkreeg. Rabbi Asji daarentegen, vraagt aandacht voor het feit dat wij nergens de titel kohen verbonden vinden aan de naam van Pinchas, totdat hij erin geslaagd was om een burgeroorlog tussen de stammen van Israël af te wenden. Toen de verovering van Erets Jisraël volledig was, zond Jehosjoea de stammen Reoeveen en Gad en de halve stam Menasje weg om, zich te vestigen aan de oostzijde van de Rivier Jordaan, die Mosjé hen beloofd had. Toen zij aankwamen richtten zij op de oever van de rivier een enorm altaar op, zich daarbij afscheidend van de andere stammen. In de veronderstelling dat dit een daad van secessie was en dat het altaar bedoeld was als een onafhankelijk plaats voor de offerdienst, mobiliseerde de hoofdmacht van Israël zich voor een oorlog tegen de veronderstelde seperatisten. Toen Pinchas een delegatie leidde om een ultimatum voor te leggen, werd hem meegedeeld dat het altaar nimmer bedoeld was voor de offerdienst, maar als een monument voor de eenheid van al de stammen, ook al werden zij door de rivier van elkaar gescheiden. Pas nadat hij deze verzoening tot stand gebracht had, vinden wij [Jehosjoea 22:30] de titel „Pinchas de kohen”.

Volgens deze benadering werd Pinchas inderdaad de status van kohen beloofd nadat hij Zimri verslagen had. Zijn inwijding echter, zoals Tosefot uitlegt, vereiste dat hij werd gezalfd, bekleed met de heilige kledingstukken en geïnaugureert met een speciale mincha dienst. Er was oppositie bij het volk tegen een dergelijke heiliging omdat hij een stamhoofd had gedood. Pas nadat hij het volk van een burgeroorlog had gered, waren zij verzoend met het idee dat hij kohen zou worden.