Zevachiem-index

DAF-Notities Nr. 127 – Zevachiem 103a
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

 

Daf 103a

De huid sparen

De kohen die dienst doet en het korban ‘ola [het brandoffer] brengt, heeft recht op de huid van het dier, waarvan het hele lichaam op het altaar verbrand wordt [Wajjikra 7:8].

De misjna op bladzijde 103a verklaart dat als het vlees van dat korban ongeschikt wordt om op het altaar geofferd te worden, dan gaat de huid niet naar de kohen, maar wordt, samen met het vlees, verbrand, aan de zijkant naast het altaar. De bron voor deze regel is de zin: „het ‘ola van een iemand,” hetgeen in bovengenoemde passage voorkomt. Deze zin geeft aan dat de huid uitslui­tend naar de kohaniem gaat wanneer het ‘ola werkelijk voor iemand geofferd wordt en niet wanneer het voor het altaar wordt afgekeurd.

Twee aanpassingen van deze regel blijken uit gevallen die in deze en de volgende misjna genoemd worden:

Hoe zit dat wanneer het ‘ola niet geslacht was om te worden geofferd als ‘ola  maar als sjelamim? Heel aan het begin van traktaat Zevachiem hebben wij geleerd dat zulk een offer kosjer beschouwd wordt om op het altaar geofferd te worden, maar dat het niet als de vervulling van de eed wordt beschouwd, die de eigenaar gemaakt heeft om een ‘ola te offeren. Hij moet alsnog een ander dier als  ‘ola-offer brengen. Wanneer wij de woorden „het ‘ola van iemand” opvatten op de meest strikte betekenis ervan, dan gaat de huid van zo’n dier niet naar de kohaniem, omdat het korban niet diende als het ‘ola van degene die het gekocht had. Maar de misjna beslist dat de huid toch naar de kohaniem gaat, omdat de vereiste van „een ola van iemand” alleen maar betekent dat het vlees op het altaar geofferd wordt, en daarmee wordt het proces waarvoor diegene het bedoeld had, uitgevoerd.