Zevachiem-index

DAF-Notities Nr. 128 – Zevachiem 104a
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

 

Daf 104a

Vlees en bloed

Wanneer de Tora de Joden gebiedt hun offers uitsluiten in het aangewezen heiligdom te brengen, lijkt de passage waarin dit gebod staat, tegenstrijdige signalen uit te zenden ten aanzien van een bepaald aspect van de regels voor het offer:

„En je zult je offers brengen, het vlees en het bloed, op het altaar van Hasjem, je G-d, en het bloed van je geslachte offers zal uitgegoten worden op het altaar van Hasjem, je G-d…” [Dewariem 12:27].

Het eerste deel van deze zin, waarin het vlees van het offerdier met zijn bloed verbonden wordt, wijst op een onderlinge afhankelijkheid, en leidt tot de conclusie dat wanneer het offervlees verdwijnt of vernietigd wordt, het bloed niet meer geschikt is om te worden gesprenkeld op het altaar als offerdienst. De tweede helft, waarin alleen het bloed genoemd wordt, lijkt het tegendeel te veronderstellen – dat het bloed gesprenkeld mag worden, onafhankelijk van het bestaan van het vlees.

Rabbi Eliëzer en Rabbi Jehosjoea leggen deze passage verschillend uit. De eerste meent dat het bloed inderdaad op het altaar gesprenkeld mag worden, zelfs wanneer het vlees niet meer aan­wezig is, zoals blijkt uit de tweede helft van de zin. Het verband tussen het vlees en het bloed in de eerste helft van de zin, zo verklaart hij, duidt niet op een onderling afhankelijkheid, maar om ze met elkaar te doen vergelijken – zoals het bloed op het altaar gesprenkeld kan worden vanaf een afstand, zo ook moet het vlees van een ‘ola op het altaar gegooid en niet gelegd worden. Daarom was er een kleine opening tussen de ramp [opgang] naar het altaar en het altaar zelf, zodat de kohen die het vlees naar boven bracht, het zou moeten gooien.

Tosefot [traktaat Pesachiem 77a) werpt een interessante vraag op over dit punt. Zelfs wanneer er geen ruimte was tussen de ramp en het altaar, had de kohen nog steeds het noodzakelijke „gooien” kunnen doen, wanneer hij de top bereikt had? Zeker, komt het antwoord, maar de ruimte diende als een geheugensteuntje dat dit gooien vereist was.