Zevachiem-index

DAF-Notities Nr. 129 – Zevachiem 107b
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

 

Daf 107b

Eens heilig, altijd heilig

De Tora verbiedt offers buiten het daartoe aangewezen heiligdom te brengen, en waarschuwt de overtreder voor kareet – uitroeiing [Wajjikra 17:1-4].

Voordat het Misjkan was opgericht in de woestijn, een jaar na de Uittocht uit Egypte, was het toe­ge­staan om bepaalde offers op bamot [privé altaars] te brengen. In de overige 39 jaar in de woes­tijn was het verboden buiten het Misjkan offers te brengen. Toen de Joden Erets Jisraël binnen­trokken, werd het Misjkan in Gilgal opgericht, waar het veertien jaar heeft gestaan, in de tijd dat de stammen van Israël het land veroverden en verdeelden. In die tijd was de ban op bamot tijdelijk opgeheven. Daarna werd het Misjkan verhuisd naar Sjilo, waar stenen muren de kleden vervingen die tot dan toe de omheining van het Heiligdom gevormd hadden. In de 369 jaar dat het in Sjilo stond, was de ban op de bamot weer geldig. Na de vernietiging van Sjilo werd het Misjkan ver­plaatst naar Nov en van daar naar Givon en opnieuw werd de ban op bamot tijdelijk opgeheven gedurende de 57 jaar dat het in die twee plaatsen stond.

Met de bouw van het Beit Hamikdasj in Jeroesjalajim werd een regel ingesteld dat er nergens anders een heiligdom gebouwd mocht worden voor het brengen van offers en bamot werden natuur­­lijk verbannen.

Hoe zit dat tegenwoordig, nu wij niet de verdienste meer hebben om een Beit Hamikdasj te mogen hebben? Wanneer iemand een offer op een privé-altaar wil brengen, wordt dat dan beschouwd als een overtreding van eenTora-verbod of geldt de ban uitsluitend in een tijd dat er een Heiligdom bestaat?

Rabbi Jochanan en Reisj Lakisj discussiëren over dit onderwerp. De mening van R. Jochanan is halacha geworden. Hij zegt dat iemand die een offer brengt op een privé-altaar schuldig is aan het brengen van een offer buiten het Heiligdom, zelfs al functioneert het Heiligdom niet. De reden hiervoor is dat de originele heiligheid die de plaats van het Beit Hamikdasj gekregern heeft [kedoesja risjona] voor altijd geldig is en voor wat de plaats zelf betreft, mogen daar offers gebracht worden, ook als er geen Tempel is. (Halachische autoriteiten echter hebben [behalve de practische] op de halachische problemen gewezen die hiermee samenhangen. Hiertoe horen onder ander de onzekerheid wie een bona fide kohen is en de onbekendheid met de exacte plaats waar het altaar gestaan heeft en voorts het feit dat alle kohaniem ritueel onrein zijn ten gevolge van contact met een dode, en talloze andere problemen.) Daarom is het offeren op iedere andere plaats een overtreding van dit gebod.