Zevachiem-index

DAF-Notities Nr. 131 - Zevachiem 111a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Wanneer is het allemaal begonnen?

Wanneer een ‘ola of een Sjelamiem geofferd werd in het Beit Hamikdasj, dan moest dat begeleid worden door nesachiem, die bestonden uit een mincha – meel offer – en een wijnplenging. Dit voorschrift wordt met de volgende woorden geïntroduceerd:

„Wanneer jullie zullen komen in het land waar jullie zullen wonen, dat Ik jullie heb gegeven… dan brengt hij die zijn offer brengt… als mincha een tiende meelbloem… en wijn als nesech [plengoffer]… zal hij brengen bij… het offer dat geslacht wordt, voor elk schaap” (Bamidbar 15:2-5).

Waren deze nesachiem-toevoegingen aan de offers reeds in gebruik toen de Joden nog onderweg waren naar Erets Jisraël en offers brachten in het Misjkan? Het antwoord hangt af van hoe je bovenstaande woorden leest.

Volgen Rabbi Jisjmaël werden de nesachiem niet geofferd voordat de Joden het Land binnentrokken. Bovengenoemde pasasage leidt  de vereiste van nesachiem in voor de offers die gebracht werden op het tijdelijke gemeenschaps-altaar dat 14 jaar in Gilgal heeft gestaan, toen de Joden het Land veroverden en verdeelden, voordat een meer permanent Heiligdom werd opgericht in Sjilo. Hoewel men op privé altaars ook individueel offers mocht brengen, was de vereiste van nesachiem beperkt tot het gemeenschappelijke altaar, zoals gesuggereed wordt door de woorden „dat Ik jullie heb gegeven”, een uitdrukking voor een altaar dat aan het hele volk was gegeven.

Rabbi Akiwa echter meent dat de nesachiem reeds in het Misjkan in de woestijn geofferd werden, nog voordat de Joden het Land Israël binnentrokken. Bovengenoemde passage gaat over de noodzaak om nesachiem ook op de privé altaars te offeren, die waren toegestaan toen de Joden het land binnentrokken, totdat het Misjkan in Sjilo werd opgericht. Hij vindt steun voor zijn idee in de woorden: „waar jullie zullen wonen” d.w.z. in jullie woonplaatsen, hetgeen slaat op de privé altaars die overal konden worden opgericht. Er was geen noodzaak voor Tora om deze vereiste te vermelden voor het gemeenschapsaltaar in Gilgal, omdat deze praktijk reeds werd toegepast in het gemeenschappelijk Misjkan in de woestijn.