Zevachiem-index

DAF-Notities Nr. 132 - Zevachiem 113b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Het land zonder vloed

Kwamen de wateren van de grote vloed in de dagen van Noach over Erets Jisraël zoals zij over de rest van de wereld kwamen?

Rabbi Jochanan en Reisj Lakisj hebben hierover verschillende meningen, gebaseerd op hun tegengestelde opvattingen over een passage in de profetie van Jechezkel (22:24), waar sprake is van de rituele reinheid in Erets Jisraël na de vloed. Rabbi Jochanan is van mening dat er geen reden is om bevreesd te zijn dat de wateren van de vloed de beenderen van hun slachtoffers begraven hebben diep in de ingewanden van de aarde van Erets Jisraël, zoals overal elders wel gebeurde. Reisj Lakisj begrijpt uit dezelfde profetie dat de wateren van de vloed ook Erets Jisraël bedekten en de menselijke beenderen diep in de aarde begraven hebben, waardoor er over iedere plek twijfel is ontstaan of die plek is aangetast door toema (rituele onreinheid) tengevolge van de diep begraven doden.

De praktische toepassing van dit dispuut is hoe men moet begrijpen wat de Misjna bedoelt wanneer het spreekt over het op een verkeerde plaats slachten van een rode koe, waarvan de as gebruikt wordt om diegenen, die door contact met een dode ritueel onrein zijn geworden, weer te reinigen. Reisj Lakisj meent dat er iedere plaats mee bedoeld wordt, zelfs in Erets Jisraël, welke niet zorgvuldig gecontroleerd is om er zeker van te zijn dat er geen gevaar is dat er geslacht wordt boven diep begraven doden uit de dagen van de vloed. Rabbi Jochanan verwerpt dit, omdat volgens hem de wateren van de vloed nimmer Erets Jisraël bereikt zouden hebben, en volgens hem heeft de Misjna het over het slachten dat plaats vond binnen de muren van Jeruzalem, in plaats van daarbuiten, zoals door Tora is voorgeschreven.

Wanneer de vloed niet over Erets Jisraël kwam, zoals Rabbi Jochanan meent, waarom had Noach dan zoveel tijd en moeite nodig om de Ark te bouwen wanneer Hasjem hem en zijn familie een­voudig samen met de dieren die Hij wilde sparen, in de beschermde omgeving van dit land had kunnen zetten? Uiteindelijk wordt vastgesteld dat zelfs Rabbi Jochanan toegeeft dat de bewoners van Erets Jisraël omkwamen, zoals duidelijk blijkt uit de Tora (Bereisjiet 7:22), niet ten gevolge van de wateren van de vloed, maar ten gevolge van de dodelijke hitte die uitstraalde, zelfs tot Erets Jisraël. Deze conclusie wordt overigens niet getrokken op basis van de noodzaak van de bouw van de ark, verklaart Maharsja, want zelfs al zou er een alternatief geweest zijin voor een veilige haven in Erets Jisraël, dan nog was het Hasjems wens dat Noach in het openbaar 120 jaar zou bouwen aan de ark, in de hoop dat de zondige toeschouwers uit zijn mond zouden horen over de opkomst zijnde zondvloed en van hun zonden zouden terugkeren (Rasji, Bereisjiet 6:14).