Zevachiem-index

DAF-Notities Nr. 133 - Zevachiem 116a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Het offer van het Zuiden

Korbanot – de offers – waren geen Joods monopolie, want ook niet-Joden, de bnei Noach offerden ook dieren. Maar wat voor soort offers brachten zij?

Hierover verschillen Rabbi Elazar en Rabbi Jossi bar Chanina van mening. Eén mening was dat zij ook in staat waren sjelamiem te offeren, waarvan slechts enkele vetdelen van het dier verbrand werden op het altaar, terwijl het vlees door de eigenaar van het offerdier gegeten werd. De ander meent dat de niet-Jood alleen een ‘ola kon offeren, dat in zijn geheel verbrand werd op het altaar.

De laatste mening baseert zich op een passage in Sjier Hasjiriem [Hooglied 4:16]: Laat het noorden worden opgewekt en het zuiden binnenkomen. Dit verklaart hij aldus: „Laten diegenen, wier dienst in het noorden is [de niet-Joden die alleen een ‘ola kunnen offeren en waarvan het slachten plaats vond in het noordelijke deel van de voorhof van de Tempel] worden verwijderd van hun voor­aan­staande positie, ten gunste van hen, wier dienst in het zuiden is [het Joodse volk, dat ook sjela­miem mag offeren en die zelfs in het zuidelijke deel van de voorhof geslacht mogen worden].” Deze overheveling van prominentie van de volken van de wereld naar het Joodse volk, zo merkt Rasji op, slaat op de verwelkoming van de Masjiach als verlosser.

Wat is de betekenis van dit onderscheidt tussen een ‘ola en sjelamiem?

Het ‘ola vertegenwoordigt een totale opoffering van aardse bezittingen ten behoeve van de Hemel, een universeel begrip, dat zelfs degenen zonder Tora kunnen appreciëren. Sjelamiem echter, komen van het woord sjalom – vrede – omdat het offeren ervan vrede bewerkstellingt tussen het altaar, de kohaniem en de eigenaar van het offerdier, omdat zij alle drie een aandeel hebben in de offerdelen. Dit sublieme begrip, dat zelfs door zijn eten van offervlees een mens deelneemt aan de dienst van zijn Schepper, is beperkt tot het volk, dat door de veelheid van Tora-geboden getraind wordt om zulk een uitdaging en gelegenheid te doorgronden.

 

Gold de eed ook voor Egypte?

Toen de Tora aan het Joodse Volk gegeven werd, werd dat begeleid door „donderslagen” (Sjemot 19:16), die in de hele wereld gehoord werden. Rabbi Elazar Hamodai zegt dat de koningen van alle volken in hun paleizen werden aangegrepen door angst en G-ds lof zongen. Dit is de scène die Koning David beschrijft wanneer hij spreekt over een krachtig geluid dat heel het universum omvat, waardoor „ieder in zijn paleis eer bewees aan G-d (Tehilliem 29:9). Deze door paniek getroffen vorsten kwamen allen naar Bil’am en vroegen aan de boze profeet om hen de betekenis van deze geluiden te verklaren, waarvan zij vreesden dat zij een wereld vernietigende zondvloed inluidden. Hij verzekerde hen dat G-d reeds had gezworen nimmer de wereld meer te vernietigen door middel van een vloed. Toen zij de mogelijkheid opperden dat deze eed wellicht niet de mogelijkheid uitsloot dat de wereld door vuur zou worden vernietigd, verzekerde hij hen opnieuw dat de G-ddelijke eed een vernietiging van de hele wereld uitsloot op welke manier dan ook maar dat de alarmerende geluiden die zij hoorden niets anders waren dan de geluiden die het geven van Tora aan Zijn volk begeleidden.

De indruk die wij van deze dialoog krijgen, is dat de eed die G-d aflegde nadat de vernietigende wateren van de grote vloed zich hadden teruggetrokken, niet beperkt was tot water maar ook vernietiging door vuur inhield. Dit schijn in strijd te zijn met de Gemara (traktaat Sota 11a) waar de overwegingen van Par’o en de Egyptenaren beschreven worden, hoe zij de Joden in hun land zouden kunnen vervolgen, zonder vrees voor hemelse vergelding. Zij verwierpen de idee om hen te onderdrukken te vuur en te zwaard, omdat zij wisten dat de G-ddelijke rechtspraak hen hiervoor kon straffen met dezelfde maat gemeten. Daarom besloten zij om de groei van het Hebreeuwse volk te onderdrukken door middel van water, vol vertrouwen in de eed die G-d had gezworen om nooit meer een vloed over de wereld te brengen als straf. Deze redenering leidde hen ertoe om opdracht te geven alle pasgeboren Hebreeuwse jongetjes te verdrinken. Zij werden niettemin gestraft, met dezelfde strafmaat, doordat zijzelf verdronken in de Jom Soef – de Rietzee.

Het lijkt uit deze Gemara dat de Egyptenaren veronderstelden dat de G-ddelijke eed vuur niet uitsloot, terwijl Bil’am aan de koningen vertelde dat dit wel was uitgesloten.

Maharsja biedt een simpele oplossing. Bil’am punt was dat de G-ddelijke eed een vernietiging van het universum uitsloot door middel van ieder instrument. De fout van de Egyptenaren was dat zij de eed uitstrekten tot het lot van een enkele natie. Zij veronderstelden dat G-d de vernietiging door middel van water van zelfs een enkel volk had uitgesloten, maar dat de optie van vuur nog open stond. Zoals de bovengenoemde Gemara aantoont, bestond hun fout uit een verkeerde interpretatie van de G-ddelijke eed die alleen betrekking had op universele vernietiging, maar die hen, een enkel volk kwetsbaar liet voor een straf in dezelfde mate als die zij zelf hadden toegepast: door middel van water.