Zevachiem-index

DAF-Notities Nr 77 – Zevachiem 12b

Twee-en-zeventig geleerden

„Ik heb een traditie overgeleverd gekregen van twee-en-zeventig oud(en)[1],” zegt Sjimon ben Azzai, als hij een regeling citeert betreffende het slachten van offeren dieren met onjuiste intentie.

Waarom gebruikt hij het enkelvoud (oud), wanneer hij het heeft over een groot aantal geleerden, vraagt de Gemara. Omdat, is de verklaring, al de twee-en-zeventig bij elkaar zaten in één zitting en er was een unanieme opinie over dit punt, zodat het leek alsof er maar één persoon was.

Dit nummer, twee-en-zeventig, verschijnt op nog één andere plaats in de Talmoed (Meĝilla 9a) in het verhaal van de Griekse koning Ptolemeus, die twee-en-zeventig geleerden van Israël verzamelde, het in twee-en-zeventig aparte kamertjes opsloot en hen opdroeg de Tora in het Grieks te vertalen. Hoewel het nodig was om hier en daar wat veranderingen aan te brengen in de letterlijke vertaling om misverstand te voorkomen, gebeurde er een wonder en waren alle vertalingen precies eender [dit werk staat bekend als de „Septuaginta”].

In beide gevallen vinden wij de twee-en-zeventig geleerden in perfecte eenheid. Misschien representeert dit nummer de totaliteit van het Joodse volk, met zes geleerden voor ieder van de twaalf stammen. Toen Mosjé werd opgedragen om zeventig oudsten van het volk te verzamelen (Bamidbar 11:16), begreep hij dat dit er zes van iedere stam moesten zijn. Hoewel Hasjem het aantal tot zeventig beperkt had, omdat Hij wilde hij dat het Sanhedrin uit een-en-zeventig leden zou bestaan, met inbegrip van Mosjé, werd hier het idee van de twee-en-zeventig als een lichaam dat eenheid symboliseerd, misschien geboren.

(Door Rabbijn Mendel Weinbach, Jesjivat Ohr Somayag)

[1] Het woord ouden betekent hier geleerden, maar ben Azzai gebruikt het enkelvoud.