Zevachiem-index

DAF-Notities Nr 79 – Zevachiem 16a

Geschiedenis van de Bama

Een offer brengen aan de Hemel op een bama – een privé altaar – was toegestaan tijdens bepaal­de perioden in de geschiedenis. Totdat het Misjkan in de woestijn was gebouwd en gedurende de eerste 14 jaar na de aankomst in Erets Jisraël, toen het heiligdom in Gilgal stond, was de bama legitiem. Tijdens de 369 jaar dat het heiligdom min of meer per­ma­nent in Sjilo stond, was de bama verboden. Het herkreeg zijn rechtsgeldigheid weer toen het heiligdom verwoest werd en opnieuw opgesteld werd in Nov en daarna in Givon voor een pe­riode van 57 jaar. Nadat het Beit Hamikdasj gebouwd was in Je­ru­zalem, werd de bama voor altijd verboden.

Tijdens de perioden van het Misj­kan in de woestijn en toen het in Sjilo stond en gedurende te tijd van het Beit Hamikdasj, kon alleen een kohen de offer­dienst verrichten. Het was niet nodig,zo steldonze gemara, om een kohen de offedienst telaten verrichten in de tijd dat men wel op een bama mocht offeren. Als steun hiervoor citeert Rasji een misjna (Zevachiem 113a) en en­kele historische gebeurtenis­sen waar­bij een niet-kohen een offer bracht op een bama. Een hier­van is het offer in de dagen van de Profeet Sjmoeël (Sjmoeël I, 11:15). Ande­ren zijn die welke geofferd werden door Gideon (Sjoftiem 6:26) en Manoach, de vader van Sjimsjon (id. 13:19).

Het precendent dat van Sjmoeël geciteerd wordt is makkelijk te begrijpen. Dit was tijdens periode toen het Misjkan in Nov stond en de bama was legitiem. Daar Sjmoeël geen kohen was, bewijst dit dat een niet-kohen dienst kon doen op een bama. Maar er is een probleem met de bewijzen van Gideon en Manoach. Beiden leef­den in de tijd van de Richteren, toen het Misjkan in Sjilo stond en de bama onwettig was. De gemara (Zevachiem 108b) legt uit dat het offer van Manoach een hora’at sja’a – een buitengewoon gebod van de Hemel was, om tijdelijk voor dat moment de ban op de bama te negeren. Wanneer dit een bui­ten­gewone situatie was, verklaart dat misschien ook het negeren van de noodzaak van een kohen en dat laat ons zitten zonder pre­cedent van een niet-kohen die de dienst mag uit­voeren op een bama onder nor­ma­le omstandig­heden. Wat ech­ter nog meer problematisch is, is het bewijs van Gideon. Onze geleerden (Troema 28b) verklaren duidelijk dat in verband met zijn offer, acht normale vereisten voor de dienst tijdelijk buiten werking werden gesteld met een direct voorschrift  van de Hemel en één daarvan is de noodzaak voor een kohen.

Wanneer iemand van de lezers een verklaring heeft voor deze moeilijke Rasji, wordt hij uitgeno­digd dat op te sturen.

(Door Rabbijn Mendel Weinbach, Jesjivat Ohr Somayag)