Zevachiem-index

DAF-Notities Nr 81 – Zevachiem 19a

Netjes gekleed

„Er staat over jullie geschreven: Jullie zullen voor Mij een ko­­nink­rijk van priesters zijn” [Sjemot 19: 6] zei de Perzische koning Iezĝedar tegen  de geleerde Hoena bar Natan, en hij ver­schoof eigen­han­dig de gordel die Huna om zijn len­de­nen had omhoog. [Hoena bar Natan was Reisj Galoeta – Exil­arch, hoofd van de Joodse gemeen­schap in Baby­lonië in de tijd van Rav Asji]. Dit sloeg op een van de kleding­voor­schriften voor koha­niem door de Profeet Jechezkel. Behalve dat zij een linnen tulband moesten dragen en een linnen broek, moesten de kohaniem ver­mijden om hun gor­del te dra­gen op een zweterige plaats [Jechez­kel 44:18]. In prak­tische bewoor­din­gen betekende dit dat de gor­del, die zij droegen over hun jas, boven de heupen gedragen moest worden en onder het ni­veau van de ellebogen. Hoewel dit speciaal een vereiste was voor de kohen in dienst, strekte de Perzische heerser de regeling ook uit tot ieder lid van het „koninkrijk van priesters”. Toen Hoena zijn ervaring aan de geleerde Ameimar vertelde, ant­woordde deze hem dat dit de ver­vulling was van de profetie dat „koningen zullen je kindermeisje zijn” [Jesajahoe 49:23]. Hoewel de werkelijke vervulling van deze profetie pas zal plaat­svinden in de messiaanse tijd, wan­neer de volken van de wereld het een voorrecht zullen vinden om het „koninkrijk van priesters” te dienen, was de per­soon­lijke attentie van de koning voor de kleren van Hoena in ze­kere zin reeds een beetje een voorbode daarvan.

(Door Rabbijn Mendel Weinbach, Jesjivat Ohr Somayag)