Zevachiem-index

DAF-Notities Nr 83 – Zevachiem 24a

Een been om op te staan

De dienst van een kohen in het Beit HaMikdas jis alleen geldig wanneer die wordt uitgevoerd  ter­wijl hij direct op de grond van het heiligdom staat. Hoe zit dat als hij één voet op de grond heeft en de andere op een steen of voorwerp?

Wanneer die steen of dat voor­werp verwijderd werd en hij kon dan toch nog de dienst verder voort­zetten, terwijl hij op één been stond, dan is de dienst geldig. Anders niet.

Een vergelijkbare situatie wordt beschreven in een eerdere ge­ma­ra [Zevachiem 19b). Een kohen moet tegelijkertijd zijn han­den en zijn voeten wassen uit het heilige basin, voordat hij de dienst van die dag uitvoert in het Beit Hamikdasj. Eén van de geleerden interpreteerde dit als een vereiste voor de kohaniem  om de ene hand op de andere te leggen en ze zo samen op zijn voeten te leggen, die ook op el­kaar gelegd moeten worden. Zij mening wordt verworpen door de meerderheid van de geleer­den, want dit was­sen is alleen geldig als de kohen staat en op deze manier kan de kohen  on­mogelijk staan zonder steun van een collega, en dan wordt het niet als staan beschouwd.

Tosafot strekt deze regel ook uit voor een andere situatie, zoals het lezen van Tora voor de ge­meente, hetgeen ook staande moet gebeuren en dat zou ook ongeldig zijn als de voorlezer er­gens zodanig op steunt, dat, wan­neer men de steun weghaalt, hij zou om­vallen. Volgens deze me­ning wordt een klein beetje leu­nen toe­gestaan. Maar Tosafot ci­teert ook de Jeroesjalmi, die het leunen ver­biedt als een teken van gebrek aan respect voor de Tora en dat zou betekenen dat iedere vorm van leunen verbo­den is.

Dit probleem van leunen strekt zich ook uit tot de Sjemoné Esré, dat staande gezegd moet worden en tot het opstaan, wat wij doen als het Sefer Tora aan ons voor­bijgaat. De halachische auto­ri­tei­ten zijn het erover eens, dat voor wat betreft respect voor Tora en voor het gebed wij moeten ver­mijden ook maar er­gens op te leunen, maar wan­neer de fysieke conditie van iemand vereist, dat hij ergens opleunt, dat moet hij zodanig leunen dat hij ook nog kan blij­ven staan als de steun wordt weggehaald.

(Door Rabbijn Mendel Weinbach, Jesjivat Ohr Somayag)