Zevachiem-index

DAF-Notities Nr 84 – Zevachiem 24a

De heilige vloer

Ten einde de dienst in het Beit Ha­Mik­dasj naar behoren te kun­nen uitvoeren, moest de kohen met zijn beide voeten op de grond staan, die geheiligd was als platform voor deze dienst. Er mocht zich niets bevinden tussen zijn voeten en de vloer, zelfs niet de voet van een andere kohen.

Wie heiligde de vloer van het Beit HaMikdasj

Onze natuurlijke neiging zou zijn te veronderstellen dat dezelfde Koning Sjlomo, die het Beit Ha­Mikdasj bouwde, dat ook gedaan had. Onze gemara echter, zegt duidelijk dat het zijn vader David was die de grond van het Beit Ha­mikdasj met heiligheid bekleed­de.

Hoewel Hasjem hemniet toestond het Beit HamIkdasj tebouwen, zien wijweldat David enorm bezig wasmet de voorbereidingen van de bouw ervan door zijn zoon. Het was David, samen met de Profeet Sjmoeël, die de exactie plaats vaststelde waar het Beit HaMikdasj gebouwd zou worden [Zevachiem 54b]. Hij kocht de grond van Aravna de Jebusiet om er een altaar op te richten en offes tebrengen, die een einde maakten aan de plaag ,die het land getroffen had [Sjmoeël II, 24:18-25], en hij was het die de kanalen groef, die de  plengoffers  bracht naar de fundamenten van het universum.

De Midrasj [Pesikta Rabba 43] vertelt hoe David, toen hij dit al­taar oprichtte, het altaar vond waar­op Adam en Noach hun of­fers gebracht hadden en waar­op Awraham het offer van Jitschak had voorbereid. Toen hij dat vond, mat hij de afstand van daar, om vast te stellen waar precies de Azara  – het Binnen­hof – zou komen, waar de offers zouden worden gebracht en waar het Allerheiligste zou komen.

Mogelijk dat tijdens dit opmeten David de grond gewijd heeft van het Beit Hamikdasj, datzijn zoon Sjlomo zou bouwen. Volgens Rasji werd dit bereikt met twee dank-offers, en volgens Tosafot met de overblijfselen van het meeloffer.

(Door Rabbijn Mendel Weinbach, Jesjivat Ohr Somayag)