Zevachiem-index

DAF-Notities Nr 85 – Zevachiem 26a

Alles of niets

Hoeveel van de kohen moet binnen de binnenplaats van het Beit Hamikdasj zijn wanneer hij het offerdier slacht of als hij het bloed opvangt?

Deze vraag werd voorgelegd aan Rav Zeira door Rabbi Jeremia, die vroeg of het er wat toe deed als alleen een haar van de kohen niet binnen de heilige ruimte was die voor alle heilige diensten bestemd was. [Bij een eerdere soortgelijke vraag was Rabbi Jeremia het Beit Midrasj uitgegooid]. Rav Zeira’s antwoord was een referentie aan het vers [Sjemot 28:43] dat spreekt over de noodzaak voor kohaniem om in hun priesterkleren gekleed te gaan „bij het binnengaan” van het Heiligdom. Deze uitdrukking wordt geïnterpreteerd als er op wijzend dat het nodig is voor een „totaal binnengaan”, inclusief het haar van de kohen.

De commentaren trekken een parallel tussen deze interpretatie van deze uitdrukking „bij het binnengaan” met een soortgelijke uitdrukking die de Tora gebruikt met betrekking tot de mitswa van het afscheiden van challa van deeg, dat aan de kohen gegeven wordt. Deze verplichting van Tora was beperkt tot het graan van Erets Jisraël en het was een plicht voor Joden „bij het binnengaan in het land” [Bamidbar 15:18]. Hoewel dit betekent dat de verplichting begon zelfs voordat zij geëindigd waren met de verovering en de verdeling van het land, het wijst er ook op dat het afhankelijk was van het binnengaan van heel het volk, niet slechts een paar vooruitgeschoven verkenners [Ketoebot 25a]. Opnieuw zien wij dat de uitdrukking „bij het binnengaan” zonder reservering moet worden opgevat.

Terwijl dit betekent dat de kohen voor het offeren zich compleet binnen het Heiligdom moest bevinden, voor challa is dit nog relevant tot op vandaag. Daar de Tora-verplichting afhankelijk is van het feit of alle Joden in Erets Jisraël zijn, en daar dit vandaag niet het geval is, is onze verplichting om challa af te scheiden mid’rabbanan. Zelfs in de tijd van Ezra, die de terugkeer uit de Babylonische balingschap leidde, waren niet alle Joden in het Land. Het is interessant om op te merken dat met betrekking tot challa er een rabbijnse vereiste is om de mitswa ook buiten Israël uit te voeren. Onze geleerden zagen de noodzaak in om dit decreet in te stellen zodat de mitswa van challa niet vergeten zou worden, daar ieder Joods huishouden erbij betrokken is, in tegenstelling tot de noodzaak van het afscheiden van teroemot en ma’aserot dat alleen voor agrariërs (?) geldt.

(Door Rabbijn Mendel Weinbach, Jesjivat Ohr Somayag)