Zevachiem-index

DAF-Notities Nr 89 – Zevachiem 34a

Daf 34a

Als meer minder betekent

Als de Tora opnoemt welke dieren als vrijwillig ‘olah-offer gebracht mogen worden, specificeert zij dat „Wanneer iemand van jullie aan Hasjem een offer wil brengen, dan zul je van het rundvee en van het kleinvee je offer brengen” (Wajjikra 1:2)

Wanneer de Tora alleen maar had gezegd: ‘Je zultvan het „vee” jeoffer brengen’, dan zouden wij hebben verondersteld dat wilde dieren waren inbegrepen in „vee”.* Dat zou vergelijkbaar zijn met de situatie waarin een heer zijn dienaar instrueert om hem tarwe te brengen en de dienaar brengt hem dan zowel tarwe als gerst. Dit wordt niet beschouwd als in strijd met de opdracht, maar als een aanvulling. Maar nu de Tora eenmaal heeft gezegd dat het offer moet komen van het rundvee en het kleinvee van huisdieren, zijn wilde dieren volkomen uitgesloten. Nu is het vergelijkbaar met de heer die tegen zijn dienaar zegt hem uitsluitend tarwe te brengen. Als hij dan vervolgens toch nog gerst brengt, is dat niet meer acceptabel.

Tosafot vraagt aandacht voor een andere gemara (Ketoebot 98b) waar dit onderwerp van tegenstrijdigheid en aanvulling in een andere vorm verschijnt. De vraag die daar opgeworpen wordt is wat de wet is wanneer een landeigenaar aan een agent opdracht geeft voor hem een halve kor [of koer ] van zijn bezit te verkopen en de agent verkoopt tweemaal die hoeveelheid [1 kor = ± 1,77 ha]. Beschouwen we wat de agent gedaan heeft als een vervulling van de opdracht die hij heeft gekregen (hij heeft niet alleen die halve kor verkocht, hij heeft zelfs een hele kor verkocht, dus hij is een goede verkoper) en is zijn transactie dus geldig, of beschouwen wij wat hij gedaan heeft in strijd met zijn opdracht (de opdrachtgever wilde misschien niet meer verkopen dan een halve kor) en is de transactie ongeldig?

Er bestaat nog een derde versie van dit probleem in traktaat Troemot (4:4). Wanneer het aan een agent bekent is dat de landeigenaar, die hem heeft opgedragen een tiende van de landbouwop­brengst af te scheiden, gewoon is om eenvijfde aan de kohen als troema te geven en hij (de agent) scheidt doelbewust een groter deel (dan eentiende) af, dan is de hele ‘vertiening’ geldig.

Een analyse van de verschillende omstandigheden in deze gevallen helpt ons de variaties te begrijpen. Waar de poging om een extra perceel land te verkopen de landeigenaar niet echt schaadt, kan het extra boven op het tiende een ernstig probleem veroorzaken, namelijk van de vermenging van troema met wat niet troema is. Geen van beide kan echter werkelijk vergeleken worden met offers, waar het offeren van een onacceptabel diersoort niet de waarde van de acceptabele inhoudt.

(Door Rabbijn Mendel Weinbach, Jesjivat Ohr Somayag)

 * Zoals er staat geschreven in Dewariem [14:4]: „Dit is het vee dat jullie mogen eten: een os, een jong schaap of jonge geit, een hert, een gazelle en een … steenbok…” De laatste drie zijn in het wild levende dieren en daaruit zou men kunnen asfleiden dat overal waar Tora het woord „vee” noemt, ook wilde dieren inbegrepen zijn (Zwi).