Zevachiem-index

DAF-Notities Nr 91 – Zevachiem 37a

Daf 37a Hun bloed zul je uitgooien op het altaar

De bloederige vloer

Het bloed van het korban is het onderwerp van twee discussies in de zeven dappiem van deze week. Beide dienen als achtergrond voor een opvallend detail van de pre-Pesach offerdienst, die op zulke grote schaal in het Beit Hamikdasj plaatsvond.

De misjna [in traktaat Pesachiem 64a] vertelt dat op deze dag de kohaniem de afvoer dichtstopten, die normaliter het verspilde bloed van de offerdieren, die in de omgeving van het altaar op de binnenplaats van het Beit Hamikdasj geslacht werden, liet afvloeien naar buiten het Tempelplein. Er zijn twee verschillende benaderingen waarom dit gedaan werd.

De benadering van Rabbi Jehoeda is gebaseerd op onze gemara [37a]. Hij leidt die af van de passage [Dewariem 12:27], die de Joden instructie geeft om hun offers te brengen naar de plaats die G‑­d heeft uitgekozen, en om „het bloed van je offers op het altaar van Hasjem je G-d uit te storten”. Dit wordt geïnterpreteerd als een referentie aan de noodzaak om het bloed van het Pesach-offer op het altaar aan te brengen, een vereiste die niet expliciet genoemd wordt in het Tora-voorschrift betreffende dat offer. De snelheid waarmee de kohaniem werkten op die dag om de grote hoeveelheid offers te verwerken, die alle Joden hen brachten, schiep een gevaar van de verspilling van het bloed van een offer, dat zij reeds in een schaal hadden opgevangen. Door al het bloed, dat die dag verspild was tegen te houden van wegstromen, werd het mogelijk om uiteindelijk een kom met bloed vol te scheppen en dat over het altaar uit te gieten, onder de veilige veronderstelling dat het op zijn minst een deeltje bevatte van het verspilde bloed dat nog niet zijn bestemming bereikt had.

De geleerden waren het niet eens met zowel de noodzaak als de effectiviteit van zulk een opscheppen van het bloed en de uitgieting ervan, want het bloed dat rechtstreeks uit de nek van het offerdier op de grond terecht komt en niet eerst in een schaal is opgevangen, mag niet op het altaar worden gegooid. Zij werden nu uitgedaagd door Rabbi Jehoeda om te verklaren wat dan wel de noodzaak was om de afvoerkanaal voor het bloed dicht te stoppen. Hun antwoord was, dat het een eer was voor de kohaniem om tot hun knieën door het bloed van de offers te waden.

Deze benadering stuit op het probleem wanneer zij precies in het bloed liepen. Wanneer zij dat deden terwijl zij hun heilige priesterkleren droegen, zouden zij die kleren besmeuren en ze ongeschikt maken voor de offerdienst, zoals wij geleerd hebben op bladzijde 18b. Wanneer zij hun gewaden optrokken tot boven de knieën, zou dat hun dienst ongeldig maken, want Tora staat erop dat de kleren van de kohen „naar zijn maat” [mido – zie commentaar Rasji op Wajjikra 6:3 in de Choemas van Rabbijn A.S.Onderwijzer op blz. 61] moeten zijn, dat wil zeggen, niet langer en niet korter.

Deze geleerden lossen dit probleem op, door te stellen dat de kohaniem met opgetrokken kleren door het bloed waadden, wanneer zij het hout voor de brandstof naar het altaar brachten, een functie die niet als een heilige dienst beschouwd wordt, die precies voorschrijft hoe de kleren gedragen moeten worden. Maar wanneer zij bezig waren met taken die wel een nauwkeurige dracht van de kleding vereisten, dan liepen zij op stenen die boven het bloed op de vloer van het Tempelplein uitkwamen, zodat zij dan niet door het bloed hoefden te waden. De stenen werden beschouwd als behorende tot de Tempelvloer zelf en vormden dus geen afscheiding. 

(Door Rabbijn Mendel Weinbach, Jesjivat Ohr Somayag)