Zevachiem-index

DAF-Notities – Zevachiem 43a
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Daf 43a

De speciale dispensatie

Nadat het bloed van een vogel, die als chataat [zond-] offer gebracht was, op het altaar gesprenkeld was, mocht het vlees door de kohaniem worden gegeten. De bron voor deze regel  in de misjna is de passage waarin de Tora de offerdelen opnoemt die de kohaniem krijgen. Eén daarvan is al hun zondoffers… als allerheiligst zal het voor je zijn” [Bamidbar 18:9]. De gemara [44b] verklaart dat als de enige bedoeling van het vers was om het vlees van een dier dat als chataat geofferd was, aan de kohaniem te geven, dat het dan niet nodig was geweest om het alles omvattende woord al” te vermelden. Daarom leidt men daaruit af dat het een teken is voor ons dat zelfs het vlees van een vogel die als chataat geofferd werd, gegeten mag worden door de kohaniem.

Maar waarom zouden wij ooit verondersteld hebben dat de kohaniem niet gerechtigd waren om het vlees van de vogel te eten, zoals zij het recht hebben op het vlees van een [ander] dier?

Het antwoord ligt in de methode die de Tora [Wajjikra 5:8] geeft voor het slachten van de vogel-offers. Een dier wordt geslacht door middel van sjechita – waarbij met een mes de luchtpijp en de slokdarm worden doorgesneden. Een vogel wordt geslacht door melika – waarbij één van de boven genoemde vitale organen wordt doorgesneden met de nagel van de duim van de kohen, die hij in de nek van het beest steekt. Daar een vogel die niet geofferd wordt en die op deze wijze geslacht wordt, niet kosjer is om te eten, zouden wij hebben kunnen veronderstellen dat het offerdier dat zo geslacht wordt, ook verboden is voor de kohen om te eten. De uitdrukking al” in bovengenoemd vers leert ons dat de kohaniem het vlees van de chataat-vogel wel degelijk mag eten, hoewel het technisch gezien als nevela zou moeten worden beschouwd – dat is het vlees van een dier dat is doodgegaan op een andere manier dan door sjechita.

Een uitbreiding van dit idee vinden wij in een andere gemara [Menachot 45a], waar een enigszins raadselachtig vers in de profetie van Jechezkel [44:31] wordt verklaard, dat handelt over een verbod voor kohaniem om nevela te eten. Waarom zouden kohaniem een uitzondering zijn, vraagt de gemara, wanneer het verbod om nevela te eten voor alle Joden geldt? Waar Rabbi Jochanan dit als een onoplosbaar mysterie beschouwt, dat alleen maar zal worden opgelost met de komst van de Profeet Eliahoe, biedt de geleerde Ravina een oplossing. Aangezien de kohaniem het vlees van een chataat-vogel mogen eten, dat technisch gesproken nevela is, zouden wij kunnen denken dat zij alle vormen van nevela mogen eten. De profeet herinnert ons er daarom aan dat deze dispensatie alleen maar geldt voor het chataat-offer, maar dat, voor wat betreft alle overige nevela, het verbod daarop voor kohaniem geldt, net als voor alle andere Joden.