Zevachiem-index

DAF-Notities – Zevachiem 46b
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach 

Daf 46b

Wanneer stilte goud waard is

Een ola is een vuuroffer, tot lieflijke geur voor Hasjem” [Wajjikra 1:9].

Dit vers in het openingshoofdstuk over offers, bevat alles wat ieder offer beoogt te bereiken – zowel met betrekking tot de aard van het offer, als de manier waarop de offerdelen worden verbrand als zijn doel om de Schepper te dienen. Hoewel het ideaal zou zijn wanneer degene die het offer brengt ook werkelijk verklaart dat hij dit doet met deze bedoelingen in gedachte, vertelt de misjna ons dat de rabbijnen een decreet hebben ingesteld die dit verbiedt.

De reden voor dit decreet vinden wij eerder in ons traktaat [2b]. Wanneer zulk een verklaring vereist zou zijn, dan zou het gevaar bestaan dat men de verkeerde verklaring aflegt, door bijvoorbeeld te verklaren dat het geofferd wordt voor een ander soort offer of voor een andere eigenaar. Zulke gedachten kunnen de effectifiteit van het offer in gevaar brengen. Daarom hebben de geleerden verordend dat men de offerdienst moet uitvoeren zonder enige verklaring, ten einde deze mogelijkheid uit te sluiten.

Een soortgelijk probleem lijkt te bestaan als een agent een get [scheidingsakte] aflevert in Erets Jisraël, afkomstig uit het buitenland. De misjna [Traktaat Gittin 2a] stelt dat hij moet getuigen  voor het gerechtshof dat de get in zijn bijzijn was geschreven en getekend. De geleerde Rabba meent dat hij vervolgens moet getuigen dat de get speciaal voor de vrouw geschreven was aan wie hij hem brengt. Waarom moest hij dan niet van begin af aan verklaren dat het was geschreven en ondertekend speciaal voor deze vrouw en in zijn bijzijn? Het antwoord dat gegeven wordt, is dat een dergelijke verklaring te lang is en het gevaar inhoudt dat hij er iets uit weglaat, waardoor de geldigheid van de get en zijn opdracht verloren gaat.

Tosafot [Zevachiem 2b] vraagt waarom Rabba niet dezelfde verklaring geeft in onze gemara – namelijk dat als hij moet verklaren dat het speciaal geschreven was voor deze vrouw, er het gevaar bestaat dat hij zou zeggen dat het voor een andere vrouw geschreven was. Het verschil, zo concludeert hij, is dat het ondenkbaar is dat een agent een get brengt naar een vrouw en vervol­gens zal verklaren dat het eigenlijk voor een ander bestemd was. Maar in geval van een offer is het best mogelijk dat de kohen die het dier slacht, denkt of zegt dat het voor iemand anders dan de werkelijke eigenaar is of dat het een ander soort offer is dan waarvoor het bestemd is [de kohen slacht dagelijks vele offers, de agent zal misschien eenmaal in zijn leven een get brengen vanuit het buitenland naar Erets Jisraël].