Zevachiem-index

DAF-Notities Nr 97 – Zevachiem 48a

 

Daf 48a Laat [de Tanna] het geval van het olah eerst behandelen

Het recht op voorrang

De enige expliciete bron in Tora voor de noodzaak dat de kodesjei kodosjiem ten noorden van het altaar geslacht moeten worden, is Wajjikra 1:10-11: En indien zijn offer van het kleinvee is, van de schapen of van de geiten, als brandoffer… dan zal hij het slachten aan de zijde van het altaar, ten noorden vóór Hasjem. Van het chataat wordt niet expliciet vermeldt dat het in het noorden geslacht moet worden. Dit gebod, dat het kleinvee in het noorden geslacht moet worden, breiden wij uit tot het chataat op grond van Wajjikra 4:29, waar een vergelijking gemaakt wordt tussen de plaats van het slachten van een olah en een chataat: Dan zal hij zijn hand leggen op de kop van het zondoffer en het zondoffer slachten op de plaats van het brandoffer.

Daar de expliciete bron het olah is, lijkt het logisch om het aan het begin van de misjna te noemen. Waarom dan, vraagt de Talmoed, wordt het olah dan pas in de derde misjna genoemd [op daf 53b], nadat al de categorieën van chataat in de eerste twee misjnajot behandeld zijn.

De reden die wordt opgegeven is er een, die in verscheidene andere plaatsen in de Talmoed gegeven wordt als een criterium van voorrang. Daar de vereiste van het noorden niet expliciet in Tora vermeld wordt maar daar slechts door middel van de methoden van deductie in de mondelinge leer is afgeleid, is het in het bijzonder geliefd bij de samensteller van de misjna en daarom heeft hij het naar voren geschoven om daarmee het belang van de rol aan te geven die aan de Talmoed geleerden is gedelegeerd  door de Gever van de Tora om Tora te interpreteren.