Zevachiem-index

DAF-Notities Zevachiem 51a
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach 

Daf 51a

Het mysterie van het resterende bloed

Wat gebeurde er met het bloed van het ola offer dat achterbleef in de schaal, nadat een deel ervan gespat was tegen de twee hoeken van het altaar, zoals vereist?

Het wordt niet expliciet in Tora vermeld dat het resterende bloed uitgegoten moet worden op de voet van het altaar, zoals het geval is met de chataat [zond] offers [Wajjikra4:7-34]. Zoals iedereen, die dagelijks de misjnajot van ons huidige hoofdstuk Ezehoe mekoman leest als onderdeel van de ochtendgebeden, is er ook geen sprake van in de misjna wat er met het resterende bloed van het ola moet gebeuren, zoals in de voorafgaande misjnajot, waar ons precies geleerd wordt waar het resterende bloed moet worden uitgegooid.

Men zou hieruit kunnen veronderstellen dat er geen noodzaak is om het resterende bloed van het ola op de basis van het altaar uit te gieten. Deze veronderstelling wordt echter verworpen door onze gemara, gebaseerd op het principe dat hij zal het bloed op de basis van het altaar uitgieten, hetgeen vermeld staat in verband met het zondoffer van de koning [Wajjikra 4:25], dat ons leert dat het resterende bloed van het ola en van alle overige offers op de basis van het altaar moet worden uitgegoten. Hoewel wij nu een subtiele Tora-bron hebben, blijft het een mysterie waarom de misjna dit niet vermeldt.

Tosafot [Zevachiem 53b] biedt twee oplossingen. Eén is dat alleen in geval van een chataat, waarvan het bloed met de vingers van de kohen op de top van het altaar wordt aangebracht, er genoeg bloed overbleef in de schaal om het op de basis uit te gieten. Het bloed van het ola daarentegen, werd uit deze schaal op het altaar gesprenkeld, zodat er niets overbleef om op de basis van het altaar uit te gieten.

Tosafot verwerpt echter deze redenering, omdat onze gemara duidelijk zegt dat van alle offers het resterende bloed op de basis van het altaar wordt uitgegoten. De geprefereerde oplossing voor dit mysterie is gebaseerd op een zorgvuldige analyse van de voorafgaande misjnajot. Nadat de eerste misjna [47a] zegt dat het bloed dat overblijft van offerdieren, waarvan het bloed gesprenkeld is in de heichal uitgegoten moet worden op de westelijke basis van het altaar, leert de volgende misjna ons dat met betrekking tot het chataat, waarvan het bloed alleen op het altaar op de binnenplaats van het Beit Hamikdasj werd uitgegoten, dat het resterende bloed moet worden uitgegoten op de zuidelijke basis van het altaar. Nadat de misjna de zuidelijke basis heeft vastgesteld als de plaats waar het resterende bloed wordt uitgegood, is het te verwachten dat wij deze vereiste zullen uitstrekken tot alle andere offers, waarvan het bloed uitsluitend op de basis van het altaar wordt aangebracht.