Zevachiem-index

DAF-Notities – Zevachiem 53b
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Daf 53b

De hoeken van het altaar

De misjna zegt dat het ola een offer is van de kodsjei kodasjiem [de allerheiligste categorie]. Het bloed ervan wordt gespat op het altaar in twee keer, dat zijn er vier. Wat betekent dat?

Eén van de meningen is van de geleerde Rav, dat het bloed gespat werd uit de heilige schaal waarin het werd opgevangen van het geslachte offerdier, tegen twee tegenover elkaar liggende hoeken van het altaar, eerst tegen de enke kant van de hoek en dan tegen de andere zijkant van de hoek, of, zoals Sjmoeël zegt: de kohen strijkt het bloed in één streek op beide kanten van een hoek en daarna nogeens op een tegenover gelgen hoek, zodat het zich naar alle vier de zijden van het altaar zou uitspreiden. Rabbi Jismael leidt echter van de overeenkomst in terminologie, die Tora gebruikt voor het ola en het chataat af dat het bloed van zowel het chataat als van het Ola op de vier hoeken van het altaar moet worden aangebracht. De gemara werpt echter tegen dat dit niet juist is. De vier spattingen van het ola verschillen van die van het chataat. Het chataat wordt op alle vier de hoeken gespat, maar het bloed van het ola slechts op de twee hierboven vermelde hoeken, de noordoost- en de zuidwesthoek.

Waarom maken wij de vergelijking niet compleet en vereisen van het ola-bloed dat het ook op alle vier de hoeken gespat moet worden? Een eerdere gemara [Zevachiem 51a] stelde vast dat het bloed van een ola alleen op een hoek van het altaar gespat kan worden, waaronder een basis uitsteekt. Daar er onder de zuidoost hoek van het altaar geen basis was, moeten wij concluderen dat de vereiste van Tora om het bloed rondom het altaar” te sprenkelen, slaat op de vier wanden die bespat worden met het bloed wanneer dat op de diagonaal tegenover elkaar liggende hoeken gespat wordt. Nu de zuidoosthoek uitvalt wegens gebrek aan basis, valt ook de tegenover gelgen noordwesthoek uit en blijven dus alleen over de noordoost- en de zuidwesthoek.

Waarom was er geen basis aan de zuidoosthoek? Ja’akov Avinoe zegende zijn zoon Binjamin dat het altaar op zijn erfdeel zou staan. Het gehele altaar, behalve de zuidoost hoek stond inderdaad op het territorium van Benjamin en had dus ook een basis. Maar de zuidoost hoek miste een stukje grond voor de basis, omdat daar het terrirorium van Jehoeda begon.

Benjamin HaKadosj, zo merken onze geleerden op, verlangde er zo naar dat het gehele altaar op zijn grondgebeid zou staan, dat hij door de Hemel beloond werd met het hele Beit Hamikdasj op zijn grondgebied.