Zevachiem-index

DAF-Notities – Zevachiem 54b
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Daf 54b

De noodlottige ontdekking

Davids grootste tegenstander was Doëg, en vele verzen in zijn Tehilliem beschrijven de pijn die hij door hem leed. Nergens in de Tehilliem, noch elders in Tenach staat een aanwijzing voor wat de aanleiding was van de felle jaloezie die Doëg motiveerde om het David zo moeilijk te maken. In onze gemara echter, leren wij dat David bedekt te kennen geeft wat de bron was, toen hij zei: Want de afgunst op Uw huis heeft mij verteerd” [Tehilliem 69:10]. Dit wordt geïnterpreteerd door de geleerde Rava als een referentie aan de afgunst die Doëg voelde voor David, toen hij erin slaagde om uit de verzen 17:8 en 33:12 van Dewariem en Jehosjoea 18:12 af te leiden wat de exacte plaats moest worden waar het Beit Hamikdasj zou worden gebouwd.

Maharsja merkt op dat deze interpretatie precies past in de passage die voorafgaat aan bovenvermelde bron van Doëgs afgunst. Daarin betreurt David het feit dat “Ik was een vreemdeling voor mijn volk en een buitenstaander voor de zonen van mijn moeder” [Tehilliem 69:9]. Dit slaat op het incident dat beschreven staat in Traktaat Jewamot [76b] waar Doëg tracht David te diskwalificeren omdat hij afstamde van de Moabitische bekeerlinge, Ruth. Wegens zijn afgunst op David, omdat hij de plaats voor het Beit Hamikdasj had ontdekt, wilde Doëg het verbod van Tora op manlijke Moabitische bekeerlingen, om de Gemeenschap van Israël binnen te komen, uitstrekken tot de vrouwelijke Moabiten, zodat David een vreemdeling voor zijn broeders zou worden, wegens zijn overgrootmoeder – totdat beslissend was vastgesteld dat Doëg ongelijk had.

Davids ontdekking, die hij deed in samenwerking met de Profeet Sjmoeël [Sjmoeël I, 19:18] was het resultaat van een vermoeiende inspanning die hij beschrijft als een strijd die hij streed, nadat hij gezworen had dat „Ik zal niet in de schuilhut van mijn woning komen, noch zal ik naar bed gaan; Ik zal mijn ogen niet de slaap gunnen, noch sluimer geven aan mijn oogleden totdat ik de plaats voor mijn G-d heb gevonden…” [Tehilliem 132:1-5].