Zevachiem-index

DAF-Notities – Zevachiem 58a
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

 

Daf 58a

Vijgenbladen en vuur

Als brandstof voor het vuur op het altaar, waarvan het houtskool genomen werd voor het offeren van de kruiden (en voor alle vuren op het altaar) was het gebruikelijk om hout te nemen van de vijgenboom.

Deze vijgenboom moest er een zijn die groeit in het wild en die geen eetbare vruchten draagt. Anders wordt hij gediskwalificeerd op dezelfde wijze  als de misjna in het tweede hoofdstuk van traktaat Tamied het hout van alle vruchtenbomen diskwalificeert, met als voorbeeld de wijnstok  en olijfbomen. De reden hiervoor, die Rabbi Acha bar Ja’akov geeft, is om het wonen in Israël mogelijk te houden, want als er geen wijn of olijfolie of vijgen meer zouden zijn, zou het land verlaten en leeg worden.

Maar waarom moest het speciaal een vijgenboom zijn?

Rasji legt uit dat de bladen van de vijgenboom als eerste gebruikt werden door de mens in een poging om zijn levensomstandigheden te verbeteren. Toen Adam zich van zijn naaktheid bewust werd nadat hij gezondigd had en van de Boom van de Kennis had gegeten, maakte hij een soort kledingstuk voor zichzelf en voor zijn vrouw van vijgenbladen [Bereisjiet 3:7]. Het is daarom passend dat het hout van deze boom voorrang krijgt bij de poging van de nakomelingen van Adam wanneer zij trachten zichzelf te verbeteren door de dienst van Hasjem in het Beit Hamikdasj.