Zevachiem-index

DAF-Notities – Zevachiem 59a
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

 

Daf 59a

Was het altaar groot genoeg?

Sefer Melachiem [Het Boek Koningen] I, 8:64 vertelt ons, dat toen Koning Salomo het Beit Hamikdasj dat hij gebouwd had, inaugureerde, Op die dag heiligde de koning het midden van het voorhof dat voor het huis van Hasjem was.”

Wat hij precies deed is onderwerp van meningsverschil. Rabbi Jehoda meent dat hij de status van het altaar uitstrekte tot de vloer van de binnenplaats. Deze mening is gebaseerd op een letterlijke interpretatie van de laatste woorden van dat vers, dat zegt dat het koperen altaar dat voor Hasjem stond, te klein was om al de brandoffers, meeloffers en vet van vredesoffers te ontvan­gen.” De voorafgaande passage vermeldt dat er in totaal 22.000 ossen, 120.000 schapen als vredesoffer werden gebracht. Het koperen altaar uit de tijd van Mosjé kon zo’n groot aantal niet  bevatten en het was nodig om de vloer van de binnenplaats te heiligen zodat het geschikt zou zijn voor het verbranden van de vetdelen.

Rabbi Jossi echter berekende dat de vergrote afmeting van het altaar dat gebouwd werd in plaats van het koperen altaar uit de woestijn, wel in staat was om zelfs dit grote aantal offers te bevatten. Wat Salomo deed was het koperen altaar van Mosjé te vervangen voor een nieuw gebouwd altaar. Zijn verklaring van de uitdrukking was te klein” is dat het een eufemisme was voor de vervanging van het oude altaar door het nieuwe.

De berekening van de geleerde dat het altaar in staat was het grote aantal offers te bevatten is gebaseerd op de passage die vermeldt dat Salomo duizend brandoffers bracht op het altaar van Mosjé in Givon [Melachiem I, 3:4]. Wanneer dat relatief kleine altaar, met een top-oppervlak van slechts één vierkante ama [een ama = ± 54 cm] duizend brandoffers kon verwerken, dan kon het nieuwe altaar, dat aan de top een oppervlak had van 400 vierkante ama zeker al de offers van de inauguratie verwerken.

Opgemerkt dient te worden dat Rasji in zijn commentaar op onze Gemara schrijft dat de top van het altaar 20 x 20 ama was, terwijl Rasji in zijn commentaar op Melachiem schrijft dat het 24 x 24 ama was. Zijn commentaar hier is gebaseerd op de mening van Rabbi Jossi, die later [op daf 61b] zegt dat het altaar van Solomo slechts 20 x 20 ama was, en dat het later werd vergroot tot 24 x 24 in de tijd van het Tweede Beit Hamikdasj. En in Melachiem gaat Rasji uit van de andere geleerden die zeggen dat het altijd 24 x 24 ama was.