Zevachiem-index

DAF-Notities – Zevachiem 61b
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

 

Daf 61b

Het passieve vuur?

Toen de Joden terugkeerden naar Jeruzalem uit de Babylonische ballingschap en het Beit Hamikdasj herbouwden, maakten zij het altaaroppervlak aanzienlijk groter dan dat welke bestond in het eerste Beit Hamikdasj. De reden voor deze vergroting, zegt Rabbi Jossi, was dat er niet genoeg plaats was op het eerste altaar om al de offers die men wilde brengen, te offeren.

De geleerde Abajé, een leerling van R. Jossi, is het daar niet mee eens en hij baseert zich op een vergelijking  van de twee passages die de omvang van het Joodse volk in Erets Jisraël beschrijven tijdens de twee Tempel-perioden.

Jehoeda en Jisraël waren zo talrijk als het zand van de zee,” [Melachiem I, 4:20]. Zo wordt de omvang van het Jodendom in de tijd van het eerste beit Hamikdasj beschreven.

De gehele gemeenschap was twee-en-veertig duizend driehonderd en zestig” [Ezra 2:64] is de uitslag van de volkstelling van het aantal teruggekeerden  die de Tweede Tempel bouwden.

Waneer het eerste altaar een aantal zo groot als het onmeetbare zand kon bevatten, zou het dan niet zeker dit veel kleinere aantal van terugkerenden kunnen bevatten?

Het antwoord op dit mysterie is te vinden in een andere Gemara [traktaat Joma 21b], dat vuur uit de Hemel op het altaar opsomt als een van de vijf dingen die het eerste altaar wel had en het tweede altaar niet. Dit wordt dan verder beschreven door erop te wijzen dat zelfs al kwam er ook vuur uit de Hemel naar omlaag in de Tweede Tempel, dit niet het door mensenhanden gemaakte vuur meehielp om te verteren wat op het altaar geplaatst was. Omdat deze medewerking van de Hemel miste, was het nodig om het altaaroppervlak groter te maken voor het verbranden van de offers in het tweede Beit Hamikdasj, zelfs bij een kleinere bevolking.