Zevachiem-index

DAF-Notities – Zevachiem 63a
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

 

Daf 63a

Dienen en eten in aanwezigheid van de meester

Terwijl de allerheiligste offers [kodsjei kodasjiem]ola [brandoffer], chataat [zondoffer] en asjam [schuldoffer] geslacht moesten worden in het noordelijke gedeelte van de binnenplaats van het Beit Hamikdasj [de Azara], mochten de sjelemiem [vredesoffers] overal op de Azara geslacht worden, zoals de Tora zegt [Wajjikra 3:2]: „Hij moet het slachten aan de ingang van de Ohel Mo’eed [het heilgdom zelf, de Heichal, waarin de menora, de tafel met de toonbroden en het gouden altaar stonden].

Hoe zit dat als de sjelemiem geslacht zouden worden in de Heichal zelf? Daar de Tora zegt dat de „ingang van de Ohel Mo’eed “ geschikt was als plaats voor het slachten van de sjelemiem, zou men daaruit kunnen afleiden dat de Ohel Mo’eed – of de Heichal zelf de meest geschikte plaats is voor het slachten. Het is dus logisch te veronderstellen dat als de secundaire plaats geschikt is, dat dan de primaire plaats – de Heilchal zeker daarvoor geschikt is.

Mogen kohaniem het vlees van de kodsjei kodasjiem, dat niet buiten de azara gegeten mag worden, in de Heichal eten?

Rabbi Jehoeda ben Beteira besliste dat als het Beit Hamikdasj belegerd was en de vijand pijlen en stenen afschoot in de Azara, dan mochten de kohaniem in de Heichal schuilen en daar het vlees van de kodsjei kodasjiem eten. Hij baseerde zich daarbij op het vers in Bamidbar (18:10) dat zegt dat de plaats waar de kohaniem dit offervlees mogen eten „allerheiligst” is. Dat omvat zeker ook de Heichal!

Waarom moest deze geleerde bij dit vers steun zoeken voor zijn beslissing, wanneer hij kennelijk deze logische gevolgtrekking had kunnen maken uit de vorige gevolgtrekking, namelijk dat wanneer de secundaire plaats van de Azara geschikt was om het heilige vlees te eten, dat dan de primaire plaats daar zeker geschikt voor was?

Het is passend voor een dienaar om dienst te doen voor zijn meester in aanwezigheid van de meester. Het is daarom logisch te veronderstellen dat als hij zo een dienst – het slachten van sjelemiem – op de secundaire plaats kan doen, verder verwijderd van de Meester, hij dat zeker ook kan doen op de primaire plaats. Maar het is niet passend voor een dienaar om te eten in aanwezigheid van zijn meester. Zonder de steun van dat Tora-vers zouden wij daarom verondersteld hebben dat eten alleen was toegestaan op de secundaire plaats en niet op de primaire plaats, hetgeen vergelijkbaar is met het eten in aanwezigheid van de Meester.