Zevachiem-index

DAF-Notities Nr. 110 – Zevachiem 69b
Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

 

Daf 69b

Wanneer één genoeg is

Ieder die dagelijks de ochtendgebeden zegt, is bekend met de 13 regels van Rabbi Jismaël voor de interpretatie van Tora-wetten, die niet expliciet genoemd worden. Een van deze is de kal wechomer. Het veronderstelde uitgangspunt van deze methode is, dat wanneer de Tora een bepaalde eigenschap onthult dat geldt voor een bepaald onderwerp dat kal is – van een minder ernstige aard – dan zal die eigenschap zeker ook gelden voor een ander onderwerp dat chomer is – meer ernstig van aard.

Hoewel de kal wechomer overal in de Talmoed voorkomt, vinden wij in onze Gemara een beperking van zijn toepassing: het is voldoende dat we de eigenschap van de kal uitbreiden tot de chomer maar wij kunnen er geen grotere eigenschappen aan toeschrijven.

De bron voor deze beperking is de kal wechomer die G-d noemde in Zijn antwoord op Mosjé’s pleidooi om zijn zuster Miriam te genezen van de ziekte tsara’at waar de Hemel haar mee getroffen had als straf dat zij over haar broer kwaad gesproken had. Wanneer haar vader haar vermaand had, zo legt G-d uit, dan zou zij zeker de schaamte hebben verdiend door voor zeven dagen geïsoleerd te worden en dus beslist Hij dat zij zeven dagen in quarantaine zou gaan (Bamidbar 12:14).

Het gebruik van de logische kal wechomer, zeggen onze geleerden, zou geleid hebben tot de conclusie dat wanneer gebrek aan respect voor een menselijke vader gestraft dient te worden met zeven dagen isolatie, dan zou de straf zeker dubbel dat aantal dagen moeten zijn voor het vertoon van gebrek aan respect voor Hasjem, die Mosjé als Zijn profeet had aangesteld. Maar daar wij aan de chomer hoogstens de dimensies van de kal kunnen toepassen, was de conclusie slechts zeven dagen.

Waarom suggereert de Gemara dat de belediging van G-d een dubbele straf verdient dan die van een menselijke vader? Tosefot citeert een Gemara (traktaat Nida 31a) dat zegt dat een pasgeborene van elk van zijn ouders vijf componenten voor zijn bestaan krijgt, en tien andere van G-d. Daar G-d aan de mens dus twee maal zoveel eigenschappen geeft als de vader geeft, zou daaruit volgen dat een zonde begaan tegenover G-d tweemaal zo zwaar weegt als een zonde die begaan werd tegenover een vader en daarom ook dubbel zo zwaar gestraft zou moeten worden, ware het niet voor de boven genoemde beperking.